TXTG - 31992L0070 - bas-cnl
BELANGRIJKE JURIDISCHE KENNISGEVING - Op de informatie op deze site is een verklaring van afwijzing van aansprakelijkheid en een verklaring inzake het auteursrecht van toepassing.
Europa CastellanoDanskDeutschGreekEnglishFrancaisItalianoNederlandsPortuguesSuomiSvenska
 
   
   

31992L0070
Richtlijn 92/70/EEG van de Commissie van 30 juli 1992 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake de in het kader van de erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap te verrichten onderzoeken
Publicatieblad Nr. L 250 van 29/08/1992 blz. 0037 - 0039
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 44 blz. 0201
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 44 blz. 0201

 
       

RICHTLIJN 92/70/EEG VAN DE COMMISSIE van 30 juli 1992 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake de in het kader van de erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap te verrichten onderzoeken
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige produkten schadelijke organismen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/10/EEG van de Commissie (2), inzonderheid op artikel 2, lid 1, onder h), vierde alinea,
Overwegende dat op grond van Richtlijn 77/93/EEG "beschermde gebieden" kunnen worden aangewezen waar bijzondere ziekterisico's voor planten bestaan, en daarom aan deze gebieden bijzondere bescherming kan worden geboden onder met de interne markt verenigbare voorwaarden;
Overwegende bovendien dat de Lid-Staten mogen vragen om met name gebieden waar ťťn of meer van de in Richtlijn 77/93/EEG genoemde schadelijke organismen die in een of meer delen van de Gemeenschap worden aangetroffen, niet endemisch zijn en niet voorkomen, hoewel de omstandigheden er gunstig zijn voor de ontwikkeling van de betrokken organismen, als beschermd gebied te erkennen;
Overwegende evenwel dat, in dat geval, een gebied slechts als beschermd gebied zal mogen worden erkend indien passend onderzoek niet van het tegendeel heeft doen blijken;
Overwegende dat, aangezien voor dergelijke onderzoeken geen algemeen aanvaarde nadere regels bestaan, dergelijke regels moeten worden vastgesteld op basis van deugdelijke wetenschappelijke en statistische beginselen;
Overwegende dat het wenselijk is voor de onderzoeken algemene communautaire voorwaarden vast te stellen met, in een eerste fase, richtsnoeren met betrekking tot schadelijke organismen van het dierenrijk, in het bijzonder insekten en mijten, die gewassen aantasten die gewoonlijk in de koude grond worden geteeld, en daarbij te bepalen dat achteraf, wanneer technische gegevens beschikbaar zijn, nog richtsnoeren met betrekking tot andere schadelijke organismen kunnen worden vastgesteld;
Overwegende dat de Lid-Staten aan deze voorwaarden moeten voldoen, wanneer zij een verzoek tot erkenning van een beschermd gebied indienen;
Overwegende dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Planteziektenkundig Comitť,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De Lid-Staten zien erop toe dat aan de in lid 2 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan wanneer zij een verzoek tot erkenning van een beschermd gebied in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), eerste alinea, eerste streepje, van Richtlijn 77/93/EEG indienen.
2. In het kader van lid 1 moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
a) er is een officieel actieprogramma opgesteld om aan te tonen dat een of meer van de in Richtlijn 77/93/EEG bedoelde schadelijke organismen niet endemisch zijn voor het gebied dat als beschermd gebied moet worden erkend, en in dat gebied ook niet voorkomen;
b) op het onder a) bedoelde programa wordt toezicht gehouden door personen die bevoegd zijn om namens de in Richtlijn 77/93/EEG bedoelde "verantwoordelijke officiŽle ionstanties" van een Lid-Staat op te treden.
3. a) Het in lid 2, onder a), bedoelde programma omvat:
- een onderzoek dat steunt op kennis van de biologie van het betrokken schadelijke organisme, respectievelijk de betrokken schadelijke organismen, en van de agronomie en het milieu van het betrokken gebied, en waarbij adequate analysemethoden, inclusief inspectie van groeimedium en gewassen, worden toegepast en, zo nodig, laboratoriumtests worden verricht;
- een permanente regeling die voorziet in een geregeld en systematisch onderzoek, op daarvoor geschikte tijdstippen en ten minste eenmaal per jaar, inzake de aanwezigheid van het schadelijke organisme waarvoor het gebied als "beschermd" is erkend;
- een systeem voor het bijhouden van de onderzoekresultaten.
b) De onder a) bedoelde onderzoeken worden verricht door personen die bevoegd zijn om namens de in Richtlijn 77/93/EEG bedoelde verantwoordelijke officiŽle instanties van een Lid-Staat op te treden. Bovendien moeten deze personen bevoegd zijn om zich toegang te verschaffen tot de percelen die voor het onderzoek van belang zijn en daar monsters te nemen van planten, plantaardige produkten of groeimedium. Zij moeten beschikken over de nodige kwalificaties om de onderzoeken naar behoren uit te voeren.
c) De gevolgde onderzoekmethoden, de wijze van uitvoering van het onderzoek en de onderzoekresultaten moeten toegankelijk zijn voor de in artikel 19 bis van Richtlijn 77/93/EEG bedoelde deskundigen.
d) De gevolgde onderzoekmethoden en de wijze van uitvoering van het onderzoek moeten aan de Commissie worden meegedeeld. De Commissie geeft deze informatie door aan de overige Lid-Staten.
4. Voor het uitvoeren van de in lid 3, onder a), bedoelde onderzoeken nemen de Lid-Staten, wat betreft de schadelijke organismen van het dierenrijk, exclusief nematoden, die risico's opleveren voor planten en plantaardige produkten van de bosbouw en die gewassen aantasten die normaliter in de koude grond worden geteeld, de volgende richtsnoeren in aanmerking:
a) Het onderzoek wordt in het betrokken gebied verricht.
b) Voor het onderzoek wordt een rastertechniek toegepast waarbij in een raster dat het hele gebied omspant een netwerk van waarnemingspunten wordt uitgezet; van elk punt worden de volgende parameters geregistreerd: nummer, cooerdinaten (lengte- en breedtegraad), topografie, en, zo nodig, beschrijving van de plaats.
De Lid-Staten verzamelen zo nodig bijkomende informatie. Eventueel worden de waarnemingspunten gemerkt en in kaart gebracht.
c) Aan de hand van de volgende criteria wordt bepaald of een waarnemingspunt geschikt is:
- Het punt moet in een voldoende ruim gebied liggen om als waarnemingspunt in aanmerking te komen.
- Over het algemeen moet het punt op een zodanige plaats in het betrokken gebied liggen dat adequate evaluatie mogelijk is.
- In bijzondere gevallen worden zo nodig bijkomende punten gekozen, bij voorbeeld op plaatsen waar het risico van het betrokken schadelijke organisme, respectievelijk de betrokken schadelijke organismen, in het gebied worden binnengebracht, groot is.
d) Zo nodig worden meteorologische gegevens, in het bijzonder neerslag en temperatuur, en edafische gegevens, bij voorkeur op de plaats van het waarnemingspunt opgetekend. Deze gegevens mogen evenwel ook worden betrokken van een nabijgelegen waarnemingsstation waar deze waarden regelmatig worden gemeten. Van extreme weersomstandigheden (bij voorbeeld droogte, grote regenval, enzovoort) die van invloed kunnen zijn op de waarnemingen, wordt eveneens melding gemaakt.
e) Het onderzoek moet op elk waarnemingspunt ten minste
- betrekking hebben op een representatief aantal groepen van planten of plantaardige produkten;
- betrekking hebben op een of meer belangrijke waardplanten of produkten van waardplanten van het betrokken schadelijke organisme, respectievelijk de betrokken schadelijke organismen; zo nodig worden ook andere waardplanten onderzocht;
- omvatten:
- een visuele inspectie om na te gaan of er symptomen of tekens zijn die wijzen op de aanwezigheid van het betrokken schadelijke organisme, respectievelijk de betrokken schadelijke organismen; deze inspectie vindt plaats op een tijdstip waarop deze symptomen of tekens naar verwachting het duidelijkst zijn;
- in twijfelgevallen, laboratoriumtests op monsters.
f) Zo nodig worden op de waarnemingspunten vallen uitgezet om de betrokken organismen aan te trekken. Om te bepalen welk type van vallen en hoeveel vallen worden uitgezet en welke methode wordt toegepast, wordt uitgegaan van de biologie van de plaag.
5. Zo nodig kunnen bijkomende maatregelen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
6. Zodra de nodige technische informatie beschikbaar is, moeten de in lid 4 bedoelde richtsnoeren worden aangevuld voor de andere dan de in lid 4 bedoelde schadelijke organismen.
Artikel 2
1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk zes maanden na de herziening van de bijlagen I tot en met V van Richtlijn 77/93/EEG aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiŽle bekendmaking van die bepalingen. De regels van deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.
2. De Lid-Staten delen de Commissie onmiddellijk alle bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.
Artikel 3
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 30 juli 1992. Voor de Commissie
Ray MAC SHARRY
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 26 van 31. 1. 1977, blz. 20. (2) PB nr. L 70 van 17. 3. 1992, blz. 27.

 
     
naar bovenBeheerd door EUR-OP