background image

 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek - Gaverstraat 4 - B-9500 Geraardsbergen - T.: +32 (0)54 43 71 11 - F.: +32 (0)54 43 61 60 - info@inbo.be  - www.inbo.be

Ontwerp en handleiding voor de  
tweede regionale bosinventarisatie 
van het Vlaamse Gewest

Jasper Wouters, Paul Quataert, Thierry Onkelinx, Dirk Bauwens

INBO.R.2008.17

IN

B

O.R.2008.17

INBO.R.2008.17.indd   1

INBO.R.2008.17.indd   1

14-07-2008   12:13:32

14-07-2008   12:13:32

background image

 Auteurs:

Jasper Wouters, Paul Quataert, Thierry Onkelinx, Dirk Bauwens
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaams onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het 
duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, 
uitvoert of erin geïnteresseerd is.

De studie werd uitgevoerd in opdracht van 
het Agentschap voor Natuur en Bos.

Vestiging:

INBO Geraardsbergen
Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen
www.inbo.be 

e-mail: 

Jasper.Wouters@inbo.be
Paul.Quataert@inbo.be

Wijze van citeren: 

Wouters J., Quataert P., Onkelinx T. &  Bauwens D. (2008). Ontwerp en handleiding voor de  tweede 
regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 
2008 (INBO.R.2008.17). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel.

D/2008/3241/099
INBO.R.2008.17
ISSN: 1782-9054

Verantwoordelijke uitgever:

Jurgen Tack

Druk:

Management ondersteunende diensten van de Vlaamse overheid

Foto: 

Opslag van de meetgegeven in een veldcomputer (foto: Yves Adams)

© 2008, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

INBO.R.2008.17.indd   2

INBO.R.2008.17.indd   2

14-07-2008   12:13:37

14-07-2008   12:13:37

background image

 

Ontwerp en handleiding voor de 
tweede regionale bosinventarisatie 
van het Vlaamse Gewest 

 

Jasper Wouters, Paul Quataert, Thierry Onkelinx, Dirk Bau-
wens 

INBO.R.2008.17 
B&G/5/2004/OL200200174 

 

background image
background image

 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Dankwoord 

Onze dank gaat uit naar de opdrachtgever, het Agentschap voor Natuur en Bos en leidend amb-
tenaar Martine Waterinckx. In het bijzonder danken we haar voor de enthousiaste medewerking 
en de ruimte om nieuwe wegen te verkennen. Ook was het aangenaam samenwerken met haar 
team (Bart Roelandt, Vincent Kint en Wout Damiaans). 
 
Tevens bedanken we de leden van de stuurgroep: Luc De Bruyn (INBO), Wim De Maeyer (ANB), 
Robert De Wulf (UGent), Myriam Dumortier (INBO), Vincent Kint (ANB – KULeuven), Danny 
Maddelein (ANB), Bart Roelandt (ANB), Beatrijs Van der Aa (INBO), Ludo Vanongeval (LNE), 
Pieter Van Vooren (LNE), Kris Verheyen (UGent) en Martine Waterinckx (ANB). 
 
Daarnaast willen we de leden van de interne werkgroep binnen het INBO vermelden: Bruno De 
Vos, Peter Roskams, Kris Vandekerkhove en Beatrijs Van der Aa. De vijf intensieve discussie-
momenten waren voor ons een belangrijke steun in de rug. 
 
Tot slot nog een woord van dank aan alle andere mensen die tijdens dit project informatie heb-
ben aangeleverd, teksten hebben nagelezen of op een andere manier ondersteuning hebben 
geleverd. In het bijzonder willen we onze collega’s uit Nederland (Wim Daamen en Gerard Dirk-
se) en prof. Jacques Rondeux uit Wallonië vermelden. Zij hebben ons een hele dag hartelijk 
ontvangen en waren ook bereid waren deel te nemen aan de workshop. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 

Samenvatting 

Volgens Art. 41quater van het Vlaamse Bosdecreet uit 1990 (Vlaamse Regering, 1990) moet het 
‘Vlaamse bosbeheer’ (

i.e.

 het Agentschap voor Natuur en Bos, ANB) met een tussenperiode van 

maximaal tien jaar een steekproefsgewijze inventaris uitvoeren in de Vlaamse bossen. Met als 
doel ‘

het bosbeleid te ondersteunen op het vlak van de bosbescherming, de bosuitbreiding en 

het bosbeheer

’. En nog volgens het Bosdecreet moet de inventaris betrekking hebben ‘

op de 

kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het natuurlijk milieu in de bossen

’. 

 
Tijdens de periode 1997 – 1999 heeft de toenmalige Afdeling Bos & Groen (nu: ANB) het veld-
werk uitgevoerd voor de eerste regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. 
Op basis van deze gegevensinzameling werd in 2001 een lijvig rapport uitgebracht (Waterinckx 
& Roelandt, 2001). In dit rapport kwam enerzijds een bespreking van het meetnetontwerp aan 
bod. Anderzijds werden de dendrometrische en vegetatie gegevens uitgebreid besproken door 
middel van tabellen en grafieken. 
 
In voorbereiding op de tweede Vlaamse bosinventaris (= VBI) schreef het ANB in 2004 een be-
stek uit voor het evalueren van de eerste VBI en het uitwerken van een steekproefschema voor 
de tweede VBI. Dit project met een looptijd van twee jaar (april 2006 t.e.m. maart 2008) werd 
toegekend aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) i.s.m. het Laboratorium voor 
Bosbouw van de vakgroep Bos- en Waterbeheer van de Universiteit Gent.  
 
De opdracht werd opgedeeld in twee luiken. In een eerste fase werden de doelen en de moge-
lijkheden van een regionale / nationale bosinventarisatie verder geëxpliciteerd. Want binnen het 
ANB leefde het gevoel dat de resultaten van de eerste VBI onvoldoende werden gebruikt en 
men wou achterhalen waarom dat zo was.  
 
Op basis van deze analyse is in een tweede fase een concreet ontwerp gemaakt voor de tweede 
VBI. Hierbij lag de focus in eerste instantie op het prioriteren en expliciteren van de beleidsvra-
gen. Op basis daarvan werd het steekproefontwerp en de variabelenkeuze uitgewerkt. In een 
volgende stap is een voorafspiegeling gemaakt van de gegevensverwerking en is een plan opge-
steld voor de rapportage en communicatie. Tot slot zijn aanbevelingen geformuleerd voor de 
laatste voorbereidingen op en implementatie van het meetnet. Bij dit alles lag de nadruk op de 
kwaliteitszorg en het documenteren van de genomen beslissingen. 
 
De eerste opdracht van de studie was dus het aflijnen van de doelstellingen en mogelijkheden 
van een nationale bosinventarisatie. Samenvattend kunnen we stellen dat de VBI een meetnet 
is in een strategische context. We zijn in eerste instantie geïnteresseerd in de toestand van be-
paalde kenmerken over de ganse doelpopulatie en bepaalde strata (bv. bostypegroepen) ervan. 
De cijfers dienen om de beleidswerking van het ANB te ondersteunen. Zo kan het meetnet ons 
vertellen in hoeverre het generieke Vlaamse bosbeleid (een pakket van beleid- en beheermaat-
regelen) een impact heeft op bepaalde kenmerken van het bos op schaalniveau Vlaanderen. 
Daarnaast worden de meetnetgegevens gebruikt om te voldoen aan internationale rapporte-
ringsverplichtingen. Tot slot kunnen de resultaten ook dienen als referentiekader voor het 
Vlaamse bosbeheer en bosonderzoek. 
 
Inhoudelijk ligt de focus van het meetnet op zes duidelijk omschreven prioritaire beleidsvragen. 
Deze hebben betrekking op de volgende thema’s: (1) de karakteristieken van het bosareaal; (2) 
de boomsoortensamenstelling; (3) de bestandsopbouw; (4) enkele algemene indicatoren voor 
biodiversiteit; (5) de samenstelling van de bosvegetatie onder invloed van milieuveranderingen 
en (6) het duurzaam bosbeheer en –gebruik. 
 

background image

 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Om deze vragen optimaal te kunnen beantwoorden zijn enkele belangrijke aanpassingen aan 
het steekproefontwerp, de variabelenkeuze en de bemonsteringsmethodiek doorgevoerd: (1) de 
overschakeling van een periodieke (om de tien jaar een korte meetcampagne) naar een conti-
nue inventaris (ieder jaar wordt 1/10

e

 van de steekproefpopulatie bemonsterd); (2) het inventa-

riseren van de vegetatie op een grid van 1km x 0.5km; (3) de beslissing om steekproefpunten 
niet meer te verschuiven en het gebruik van de 

area decisoin method

 voor steekproefpunten die 

in grens- of overgangszones vallen; (4) het niet opnieuw inzamelen van bodemstalen; (5) het 
bemonsteren van liggend dood hout via 

line intersect sampling

 en (6) het gebruik van Field-Map 

voor het inzamelen van de meetgegevens. 
 
Tot slot vermelden we nog dat de methode die werd gebruikt tijdens het evalueren van de eer-
ste VBI en het ontwerpen van de tweede VBI is ontstaan in synergie met de methode zoals 
voorgesteld in de leidraad ‘Het ontwerpen van beleidsgerichte meetnetten voor het milieu- en 
natuurbeleid’, eveneens een INBO-publicatie (Wouters 

et al.

, 2008). 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 

English abstract 

In accordance with Article 41quater of the Flemish Forest Decree (Vlaamse Regering, 1990) the 
‘Flemish forest management’ (

i.e.

, the Agency for Nature and Forests, ANF) has to make a sam-

ple based inventory of the Flemish forests with an intervening period of at maximum ten years. 
The target of the inventory is to ‘

sustain the forest policy concerning forest protection, exten-

sion of the forest area and forest management

’. And still in accordance with the Forest Decree 

the inventory must ‘

refer to the quantitative and the qualitative aspects of the natural environ-

ment in the forests

’. 

 
During the period 1997 – 1999 the ANF has carried out the field work for the first forest inven-
tory of the Flemish region. 
In 2001, a voluminous report was published based on this data collection (Waterinckx & Roe-
landt, 2001). In this report the authors discussed on the one hand the network design. On the 
other hand there was an extensive discussion on the dendrometrical and vegetation data by 
means of tables and graphs. 
 
In preparation to the second Flemish forest inventory (= FFI), the ANF wrote in 2004 specifica-
tions for the evaluation of the first FFI and the design of the sampling scheme for the second 
FFI. This two year-project (April 2006 until March 2008) was assigned to the Research Institute 
for Nature and Forest (INBO) in collaboration with the laboratory of Silviculture of the University 
of Ghent. 
 
The task was subdivided in two phases. In a first phase the targets and possibilities of a re-
gional / national forest inventory were stated explicitly, because the policy makers of the ANF 
felt that the results of the first FFI were used unsatisfactory and they wanted to know the rea-
sons for this. 
 
This analysis was the starting point for designing a concrete sampling scheme for the second 
FFI. During this second phase, the focus was mainly on prioritizing and making explicit the pol-
icy questions. Thereupon the sampling scheme and the choice of the variables was elaborated. 
In a next step an 

ex ante 

evaluation of the data processing and analysis was made. And a re-

porting and communication plan were written. Finally, recommendations were formulated for 
the last preparations on the implementation of the network. In al these steps the focus was on 
the quality care and the documentation of the decisions that were made. 
 
As we already mentioned, the first assignment of this project was to delimit the targets and 
possibilities of a national forest inventory. In a nutshell we can say that the FFI is a network in a 
strategic context. Above all, we are interested in the state of certain characteristics of the whole 
population and certain strata (for example important forest types). The figures sustain the pol-
icy plan of the ANF. The network can tell us to what extent the generic Flemish forest policy (a 
set of policy and management measures) has an impact on certain characteristics of the forest 
on Flemish scale. Next to that, the data are used to meet international reporting obligations. 
Finally the results can also serve as a frame of reference for the Flemish forest management 
and forest research. 
 
As far as context is concerned, the focus of the network is on clearly specified policy questions. 
These relate to the following themes: (1) the characteristics of the forest area; (2) the composi-
tion of the tree species; (3) the stand composition; (4) some general indicators for biodiversity; 
(5) the composition of the forest vegetation under influence of environmental changes and (6) 
the sustainable forest management and use. 
 

background image

 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

To answer these questions in an optimal way, some important adjustments have been made to 
the sampling scheme, the choice of the variables and the sampling methodology: (1) the shift 
from a periodic (a short measuring campaign every ten years) to a continuous inventory (every 
year one tenth of the sampling population is measured); (2) the inventory of the vegetation is 
done on a grid of 1km x 0.5km; (3) sampling points will no longer be moved and the area deci-
sion method will be used for sampling points that fall in a border or transit zone; (4) soil sam-
ples will not be taken again; (5) lying dead wood will be sampled by the line intersect sampling 
method and (6) the field teams will use Field-Map for the collection of the measuring data.

 

 
Finally we need to mention that the method that was used during the evaluation of first FFI and 
the design of the second FFI has come into being in synergy with the method that is presented 
in the guideline ‘The design of policy oriented networks’, also a publication of the Research In-
stitute of Nature and Forest (Wouters 

et al.

, 2008). 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 

Inleiding en leeswijzer 

Dit eindrapport omtrent het ontwerp van de tweede Vlaamse bosinventaris (= VBI) start met 
een  beleidssamenvatting bestaande uit drie luiken. In een eerste luik geven we een overzicht 
van de doelstellingen, reikwijdte en toepassingsmogelijkheden van de tweede VBI. Het tweede 
luik bespreekt - in grote lijnen - het ontwerp van de tweede VBI. Hierbij geven we mogelijkhe-
den voor uitbreiding van het meetnet en de bijhorende kostenraming. In het derde en laatste 
luik komt een conclusie aan bod met aanbevelingen omtrent het meetnetontwerp en aandachts-
punten voor de implementatie van het meetnet. En in een bijlage geven we een samenvatting 
van het steekproefontwerp, de bemonsteringsmethodieken en de variabelenkeuze. 
 
Na de beleidssamenvatting volgt het belangrijkste onderdeel van dit eindrapport: een handlei-
ding voor de meetnetbeheerder van de tweede VBI. Deze handleiding hebben we opgesplitst in 
vijf fasen. Elk van deze fasen is opgebouwd volgens de methodiek uit de leidraad ‘Het ontwer-
pen van beleidsgerichte meetnetten voor het milieu- en natuurbeleid’ (Wouters 

 et al.

, 2008). In 

onderstaande paragraaf bespreken we kort deze methodiek. 
 
Op de cd-rom bijgevoegd in dit rapport vindt u tot slot verschillende discussienota’s en bijlagen. 
Hierin diepen we specifieke aspecten en thema’s van het meetnet verder uit. Enerzijds laat dat 
toe het meetnetontwerp en de gemaakte keuzes beter te begrijpen. Anderzijds is het een vorm 
van documentatie. Zo leggen we in de discussienota’s vast welke discussies zijn gevoerd en 
welke afwegingen en keuzes hierbij zijn gemaakt. Dat draagt bij tot een opbouw van kennis die 
in de toekomst zeker van pas zal komen bij een evaluatie of herziening van het meetnet. 
 
 

De vijf fasen voor het ontwerpen van een beleidsgericht meetnet 

 
Binnen het natuurbeleid leeft algemeen de vraag naar de uitbouw van meetnetten die zorgen 
voor een breder, dieper en beter toegankelijk gegevensaanbod. De kringloop die informatie ge-
leverd door een meetnet doorloopt, stellen we voor in de linkerhelft van Figuur 1. Echter, een 
groter gegevensaanbod garandeert geen toename van de gewenste kennis. In de eerste plaats 
moet goed nagedacht worden over de aard van de gevraagde informatie en daarop aansluitend 
de omvang en aard van de gegevens die nodig zijn om de informatiebehoefte in te vullen en bij 
te dragen aan de beleidswerking.  
 
In de leidraad ‘Het ontwerpen van beleidsgerichte meetnetten voor het milieu- en natuurbeleid’ 
(Wouters 

et al.

, 2008) wordt een methode besproken om deze vragen te beantwoorden. De lei-

draad heeft als centrale gedachte dat het ontwerp van een meetnet moet uitgevoerd worden 
met eenzelfde ernst en op een gelijkaardige wijze als deze waarmee een goede wetenschapper 
werkt aan het ontwerp van een wetenschappelijk onderzoek. Naar analogie met de generieke 
werkwijze voor wetenschappelijk onderzoek, steunt de leidraad op een conceptueel model voor 
het ontwerpen van een doordacht en doelgericht meetnet. Dat model omvat vijf fasen (zoals 
voorgesteld in de rechterhelft van Figuur 1). 
 
Voor een goed begrip van de handleiding voor de meetnetbeheerder bespreken we in het begin 
van elke fase kort de doelstelling en opbouw van de fase. Indien u toch nog moeilijkheden on-
dervindt bij het lezen en gebruiken van deze handleiding, verwijzen we naar de leidraad ‘Het 
ontwerpen van beleidsgerichte meetnetten’. 
 
 

background image

 

10 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 

Figuur 1 

Schematische weergave van de kringloop van informatie geleverd door een beleidsgericht meetnet. Het meet-
netontwerp (bruine achtergrond) wordt geïnitieerd door de informatiebehoefte en omvat vier fasen met onder-
linge afstemming en mogelijke terugkoppeling. Pas na een voldoende afstemming van de voorziene eindresul-
taten op de prioritaire informatiebehoeften wordt overgegaan tot de implementatie (Fase V) en de start van de 
gegevensinzameling. 

 
 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

11 

 

Inhoud 

Dankwoord .................................................................................................................. 4

 

Samenvatting ............................................................................................................... 5

 

English abstract ........................................................................................................... 7

 

Inleiding en leeswijzer ................................................................................................. 9

 

Beleidssamenvatting .................................................................................................. 14

 

1

 

Fase I: Prioriteren van de informatiebehoeften ........................................  32

 

1.1

 

Inleiding .................................................................................................... 32

 

1.2

 

Analyse van de vraagzijde ............................................................................ 33

 

1.2.1

 

Informatiebehoefte van het ANB ................................................................... 33

 

1.2.2

 

Informatiebehoefte van internationale (bos)beleidsinstanties ............................ 39

 

1.2.3

 

Bosbeheerders- en exploitanten .................................................................... 42

 

1.2.4

 

Wetenschappelijke onderzoekswereld ............................................................ 44

 

1.3

 

Analyse van de wetenschappelijke basis ......................................................... 46

 

1.3.1

 

Element 1: Kennisopbouw ............................................................................ 46

 

1.3.2

 

Element 2: Systeembeschrijving ................................................................... 47

 

1.4

 

Analyse van de aanbodzijde ......................................................................... 49

 

1.4.1

 

Boskartering .............................................................................................. 49

 

1.4.2

 

Level I meetnet Bosvitaliteit ......................................................................... 50

 

1.4.3

 

Bosinventarisaties i.h.k.v. de opmaak van uitgebreide bosbeheerplannen ........... 50

 

1.4.4

 

Monitoringprogramma integrale bosreservaten ................................................ 51

 

1.4.5

 

Meetnet opvolging Staat van Instandhouding Natura 2000 habitattypes .............. 52

 

1.4.6

 

Teledetectie  .............................................................................................. 52

 

1.5

 

Analyse van de randvoorwaarden .................................................................. 52

 

1.5.1

 

Budgettaire ruimte ...................................................................................... 53

 

1.5.2

 

Tijdskader ................................................................................................. 53

 

1.5.3

 

(Internationale) rapporteringsplicht ............................................................... 53

 

2

 

Fase II: Uitwerken van de gegevensinzameling ....................................... 55

 

2.1

 

Inleiding .................................................................................................... 55

 

2.2

 

Aflijnen doelpopulatie .................................................................................. 55

 

2.3

 

Vertaling prioritaire vragen naar meetvragen .................................................. 56

 

2.3.1

 

Toestand en evolutie karakteristieken van het bosareaal .................................. 56

 

2.3.2

 

Toestand en evolutie boomsoortensamenstelling ............................................. 57

 

2.3.3

 

Toestand en evolutie bestandsopbouw ........................................................... 58

 

2.3.4

 

Toestand en evolutie indicatoren voor biodiversiteit ......................................... 58

 

2.3.5

 

Toestand en evolutie van de samenstelling van de bosvegetatie onder invloed 
van milieuveranderingen .............................................................................. 60

 

2.3.6

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –gebruik ......................... 61

 

2.4

 

Selectie meetvariabelen en attribuutwaarden op basis van meetvragen .............. 63

 

2.5

 

Steekproeftrekking, steekproefgrootte en steekproefontwerp ............................ 65

 

2.5.1

 

Steekproefontwerp ..................................................................................... 65

 

2.5.2

 

Steekproefgrootte ....................................................................................... 66

 

2.5.3

 

Een representatieve steekproeftrekking ......................................................... 69

 

2.6

 

Bemonsteringsmethodiek ............................................................................. 76

 

2.6.1

 

Lokaliseren steekproefpunt .......................................................................... 76

 

2.6.2

 

Bemonsteringsmethodiek bosbouwkundig proefvlak ......................................... 78

 

2.6.3

 

Bemonsteringsmethodiek vegetatieproefvlak .................................................. 82

 

2.6.4

 

Area decision method .................................................................................. 83

 

background image

 

12 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

2.7

 

Kostenraming gegevensinzameling ................................................................ 86

 

2.7.1

 

Minimaal ontwerpscenario ............................................................................ 86

 

2.7.2

 

Steekproefgrootte ....................................................................................... 87

 

2.7.3

 

Gebruik van Field-Map ................................................................................. 88

 

3

 

Fase III: Plannen van de gegevensverwerking ......................................... 90

 

3.1

 

Inleiding .................................................................................................... 90

 

3.2

 

Een kwaliteitsvolle gegevensopslag ................................................................ 91

 

3.3

 

Kwaliteitsvolle gegevensverwerking ............................................................... 93

 

3.3.1

 

Van meetgegevens naar analysevariabelen ..................................................... 93

 

3.3.2

 

Statistische analyse van de meetvragen ....................................................... 104

 

3.3.3

 

Specifieke en bijzondere verwerkingstechnieken ............................................ 112

 

3.4

 

Interpretatie van de analyseresultaten ......................................................... 124

 

3.4.1

 

Aanbevelingen omtrent de interpretatie van de resultaten uit de VBI in een 
beleidscontext .......................................................................................... 124

 

3.4.2

 

Synergie met andere gegevensbronnen ........................................................ 126

 

3.4.3

 

Beleidsevaluatie ANB ................................................................................. 128

 

3.4.4

 

Vlaamse bossen in internationale context ..................................................... 130

 

4

 

Fase IV: Plannen van de rapportering en communicatie ......................... 133

 

4.1

 

Inleiding .................................................................................................. 133

 

4.2

 

Analyse gegevensgebruik ANB .................................................................... 133

 

4.2.1

 

Intern gebruik van de gegevens .................................................................. 133

 

4.2.2

 

Extern gebruik van de gegevens ................................................................. 136

 

4.3

 

Analyse gegevensgebruik andere doelgroepen ............................................... 136

 

4.3.1

 

Bosbeheerders en -exploitanten .................................................................. 136

 

4.3.2

 

Wetenschappelijke onderzoekswereld ........................................................... 137

 

4.4

 

Producten en langetermijnplanning rapportage .............................................. 137

 

4.4.1

 

Eindproducten tweede VBI ......................................................................... 137

 

4.4.2

 

Cyclus rapportage ..................................................................................... 139

 

4.4.3

 

Taakverdeling rapportage ........................................................................... 140

 

4.5

 

Sjablonen ................................................................................................ 141

 

4.5.1

 

Beleidssamenvatting ................................................................................. 141

 

4.5.2

 

Technisch rapport ..................................................................................... 141

 

4.5.3

 

Website ................................................................................................... 142

 

4.5.4

 

Studiedag ................................................................................................ 143

 

5

 

Fase V: Laatste voorbereidingen, implementatie en kwaliteitszorg ........ 144

 

5.1

 

Inleiding .................................................................................................. 144

 

5.2

 

Laatste voorbereidingen en implementatie meetcampagne .............................. 144

 

5.2.1

 

Field-Map + databank ................................................................................ 144

 

5.2.2

 

Handleiding veldwerkers ............................................................................ 144

 

5.2.3

 

Training veldwerkers ................................................................................. 145

 

5.2.4

 

Begroting en werkplanning ......................................................................... 146

 

5.3

 

Kwaliteitszorg ........................................................................................... 146

 

5.3.1

 

Mogelijke foutenbronnen en implementeren van kwaliteitscontrole ................... 146

 

5.3.2

 

Controle en evaluatie van het meetnet ......................................................... 148

 

5.3.3

 

Documentatie van het meetnet ................................................................... 149

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

13 

 

 
 

background image

 

14 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Beleidssamenvatting 

1

 

Inleiding 

Deze beleidssamenvatting omtrent het ontwerp van de tweede Vlaamse bosinventarisatie (afge-
kort als tweede VBI) richt zich tot de opdrachtgever en financier van het project ‘Uitwerking van 
een steekproefschema voor de tweede Bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest’ (TWOL-
onderzoek OL200200174). 
Deze opdracht bestond uit twee luiken: 

 

Enerzijds het verder expliciteren van de doelen en mogelijkheden van de VBI. 

 

Anderzijds het uitwerken van een heel concreet ontwerp voor de tweede VBI 

 
Daartoe belichten we in deze samenvatting de volgende vier aspecten: 

1.

 

Een overzicht van de doelstellingen, reikwijdte en toepassingsmogelijkheden van de 
tweede VBI. 

2.

 

Een bespreking - in grote lijnen - van het ontwerp van de tweede VBI. Hierbij geven we 
mogelijkheden voor uitbreiding van het meetnet en de bijhorende kostenraming. 

3.

 

Een conclusie met aanbevelingen omtrent het meetnetontwerp en aandachtspunten 
voor de implementatie van het meetnet. 

4.

 

In bijlage een samenvatting van het steekproefontwerp, de bemonsteringsmethodiek en 
de variabelenkeuze. 

2

 

Doelstellingen en reikwijdte VBI 

De VBI is een beleidsondersteunend meetnet om op grote schaal en met een grove resolutie 
(ruimtelijk en temporeel) een uitspraak te doen over de toestand van het Vlaamse bossysteem. 
Het meetnet is in staat om eventuele (negatieve) evoluties (bv. bestandsvoorraad, boomsoor-
tensamenstelling, invasieve soorten, indicatoren voor biodiversiteit, …) tijdig op te pikken.  
Het opvolgen en evalueren van individuele en/of lokale beheermaatregelen behoort echter niet 
tot de mogelijkheden. Ook het achterhalen van oorzaak-gevolg relaties en het invullen van on-
derzoeksvragen maken geen deel uit van de kerntaken van het meetnet. 
 
We kiezen bewust voor een systematische steekproef omdat dit ons garandeert dat we een on-
vertekend (representatief) beeld zullen krijgen van het Vlaamse bos. Door ook bosranden, be-
standsranden, overgangszones en open plekken binnen bos op te meten, houden we rekening 
met het gefragmenteerd voorkomen van de bosgebieden in Vlaanderen. En op deze manier 
wordt op Vlaams niveau een opvolging van de impact van kleinschalig en meer natuurgetrouw 
bosbeheer mogelijk. 
 
Dank zij deze karakteristieken is het meetnet in staat ons te vertellen in hoeverre de beleids-
doelstellingen - zoals beschreven in het Bosdecreet, in de beheervisie van het ANB en in de Cri-
teria Duurzaam Bosbeheer - gehaald worden en in hoeverre het generieke Vlaamse bosbeleid 
(een pakket van beleids- en beheermaatregelen) een impact heeft op bepaalde kenmerken van 
het bos op schaalniveau Vlaanderen. 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 15 

 

3

 

Toepassingsmogelijkheden VBI 

3.1

 

Ondersteuning van het bosbeleid 

Zoals reeds gesteld is de VBI in de eerste plaats een beleidsondersteunend meetnet. Dat beleid 
situeert zich op een Vlaams, Europees en mondiaal niveau. 
De thema’s waarover beleidsmakers vragen stellen, zijn meestal dezelfde, maar afhankelijk van 
het beleidsniveau verschillen de graad van detail en de wijze waarop gerapporteerd moet wor-
den. Zo verlangt het ANB een uitgebreid rapport dat beschrijft welke evoluties optreden in de 
Vlaamse bossen en waaraan deze veranderingen te wijten kunnen zijn: effecten van bosbeleid 
en bosbeheer (bv. een activeringsbeleid t.a.v. privé-bos eigenaars of het bestrijden van exoti-
sche boomsoorten) of invloed van abiotische drukfactoren (bv. verzuring en/of verrijking van de 
bosbodem). Vanuit internationale instellingen (zoals de 

Ministerial Conference on the Protection 

of Forests in Europe

 of the 

Food and Agrictulture Organisation

) wordt ook geïnformeerd naar de 

toestand van onze bossen (bv. koolstofopslag, biodiversiteit, …) maar dat onder de vorm van 
statistieken en eenvoudig meetbare en interpreteerbare beleidsindicatoren. 
 
Op basis van een uitgebreide analyse van de informatiebehoeften van het bosbeleid, hebben we 
zes prioritaire vragen afgelijnd. Deze overkoepelen de belangrijkste vragen die we met de VBI 
kunnen beantwoorden. En ze vormen een leidraad voor de gegevensverwerking en rapportage 
voor de tweede en volgende bosinventarissen. We bespreken kort deze zes prioritaire vragen. 
 

1. 

Toestand en evolutie van de karakteristieken van het bosareaal 

Het opvolgen van het bosareaal is in de eerste plaats een taak voor de Vlaamse boskartering 
(die bovendien het steekproefkader vormt voor de VBI). Het voordeel van de Vlaamse boskarte-
ring is dat we op nauwkeurige manier de bosoppervlakte kunnen schatten. Twee nadelen zijn 
echter: (1) dat we geen controle op het terrein hebben (fouten of veroudering van de boskarte-
ring) en (2) dat we de polygonen slechts in beperkte mate kunnen karakteriseren. 
Met de VBI kunnen we hier op inspelen. In het bijzonder voor het tweede aspect (karakteriseren 
polygonen) zijn de resultaten van de VBI heel bruikbaar. Zo kunnen we het aandeel bos opvol-
gen met een bepaald bestandsvolume, structuurdiversiteit, boomsoortensamenstelling, vegeta-
tierijkdom, vegetatietype, … 
 

2. 

Toestand en evolutie van de boomsoortensamenstelling 

Het ANB streeft naar een hoger aandeel inheemse loofboomsoorten. In het bijzonder ligt de fo-
cus op het omvormen van de homogene Kempische dennenbossen en het terugdringen van de 
exotische boomsoorten (zowel in de boomlaag als in de verjonging). De VBI zal de geschikte 
informatie leveren om het succes van deze omvorming te beoordelen.  
 

Toestand en evolutie van de bestandsopbouw 

M.b.t. de bestandsopbouw streeft het ANB naar meer structuur- en soortendiverse bossen met 
meer open plekken (licht in bos). We kunnen met de VBI opvolgen in hoeverre de doelstellingen 
gehaald worden en hierbij kunnen we een onderscheid maken tussen de verschillende fytogeo-
grafische regio’s,  bostypegroepen, eigenaarcategorieën, … 

 

Toestand en evolutie van enkele indicatoren voor biodiversiteit 

Biodiversiteit is ook binnen het ANB een belangrijke bekommernis. Enerzijds streeft het ANB 
naar meer structuurdiverse bossen. Deze verhoging van de structuurdiversiteit is een belangrij-
ke randvoorwaarde om de soortendiversiteit te verhogen. Anderzijds wordt gefocust op een 
toename van het aandeel dood hout en oude bomen als structuurdragers voor soortendiversi-
teit. Binnen het ontwerp van de VBI zijn indicatoren opgenomen die toelaten om deze aspecten 
van biodiversiteit in kaart te brengen. 
 

background image

 

16 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

5. 

Toestand en evolutie van de bosvegetatie onder invloed van milieuveranderin-
gen 

De kwaliteit van de bossen wordt niet enkel beïnvloed door een algemeen bosbeleid en specifie-
ke beheermaatregelen (menselijke impact) maar ook abiotische drukfactoren spelen een rol. In 
Vlaanderen zijn dat vooral verzuring en vermesting. Deze drukfactoren kunnen een ernstige hy-
potheek leggen op de inspanningen die geleverd worden om de kwaliteit van de bossen te ver-
beteren en daarom is het belangrijk de impact van de milieuveranderingen op de kwaliteit van 
de Vlaamse bossen op te volgen. In het kader van de VBI is dat indirect mogelijk door het in-
ventariseren van de soortensamenstelling van de bosvegetatie. 
 

6.

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –gebruik 

Multifunctioneel bosbeheer is sinds het Vlaamse Bosdecreet uit 1990 een structureel uitgangs-
punt geworden bij de visievorming over het beheer van de openbare en privé-bossen.  
In het kader van de VBI zijn vooral de opvolging van de economische, ecologische en milieube-
schermende functies van belang. Hierbij denken we in het bijzonder aan het inzamelen van cij-
fermateriaal over aanwasgegevens versus de gekapte volumes, de C&I (

Criteria and Indicators

voor duurzaam bosbeheer van de 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe

de functie van bossen als opslagplaats van CO2 en de kwaliteit van het hout aanwezig in onze 
bossen. 
 
Naast het aanleveren van cijfermateriaal over toestand en evolutie biedt de VBI in bepaalde ma-
te ook mogelijkheden om het gevoerde Vlaamse bosbeleid te evalueren. O.a. de verschillen tus-
sen openbare en privé-bossen en bosgebieden die behoren tot een bosgroep kunnen we in grote 
lijnen opvolgen. Om deze mogelijkheden te maximaliseren is het belangrijk dat de beleidsma-
kers van het ANB voldoende aandacht besteden aan het expliciteren en kwantificeren van de 
doelen van het gevoerde bosbeleid en -beheer. 

3.2

 

Andere doelgroepen 

Naast het ANB zijn er ook andere doelgroepen die we met de tweede VBI willen en kunnen be-
reiken. Thematisch is er meestal een link met de zes prioritaire vragen van het ANB, maar de 
aard van de opgevraagde informatie is vaak verschillend. Die aard (bv. resolutie, schaal, fre-
quentie, …) bepaalt sterk het meetnetontwerp. Zoals reeds gesteld willen we het meetnetont-
werp in de eerste plaats afstemmen op de informatiebehoeften van het ANB en daarom bespre-
ken we de verschillende doelgroepen afzonderlijk.  

3.2.1

 

Internationale instanties 

Een nationale bosinventaris kent traditioneel ook veel internationale gebruikstoepassingen. Con-
creet zal a.d.h.v. de VBI gerapporteerd worden aan:  

 

De 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe

 en dit onder de vorm 

van de 

Criteria and Indicators for Sustainable Forest Management

 

De 

Temperate and Boreal Forest Resource Assessment

 van de FAO. 

 

De United Nations Framework Convention on Climate Change

 van de VN. 

 

De Europese Commissie m.b.t. de opvolging van de staat van instandhouding van de 
Natura 2000 boshabitattypes. 

 
Aansluitend bij deze internationale rapporteringsverplichtingen is het relevant na te gaan hoe de 
Vlaamse bossen zich situeren in een Europese context: bebossingsindex, bestandstypes, boom-
soortensamenstelling, biodiversiteit, impact milieuveranderingen, duurzaam bosbeheer en -
gebruik (aanwas). In het bijzonder is het interessant om uit te zoeken in hoeverre enkele alge-
mene doelstellingen (multifunctioneel bosbeheer, omvorming naar meer structuurrijke en biodi-
verse bossen, …) gehaald worden en hoe deze evoluties zijn in andere Europese landen. Door 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 17 

 

deze vergelijking wordt het beter mogelijk de inspanningen en resultaten van het Vlaamse bos-
beleid (zie Fase III § 3.4) te beoordelen. 

3.2.2

 

Bosbeheer en bosexploitatie 

Bij de doelgroep bosbeheer is het belangrijk onderscheid te maken tussen de beheerders van 
openbare en van privé-bossen. Het beheer van openbare bossen valt onder bevoegdheid van de 
Vlaamse Gemeenschap en voor deze bossen is door het ANB in 2001 een beheervisie ontwik-
keld. Voor de beheerders van de openbare bossen kunnen de resultaten uit de VBI in eerste 
instantie dienen om een referentiekader te schetsen van de Vlaamse bossen. Dat geeft bosbe-
heerders de mogelijkheid om hun eigen bos te situeren en een vergelijking te maken op basis 
van harde cijfers. 
Daarnaast voert het ANB een doelgroepenbeleid t.a.v. de privé-boseigenaars. Enerzijds door het 
verlenen van subsidies voor openstelling van bossen en voor het voeren van een duurzaam 
bosbeheer. Anderzijds door de ondersteuning van de bosgroepen. Voor ambtenaren privé-bos 
en bosgroepcoördinatoren is het nuttig te kijken naar verschillen tussen openbare en privé-
bossen. In het bijzonder is er interesse in indicatoren die de invloed van de bosgroepen op de 
samenstelling en structuur van privé-bossen in kaart brengen 
 
Een tweede actor binnen het Vlaamse bosbeheer zijn de exploitanten en de houtverwerkende 
bedrijven. Vanuit de industrie leeft de vraag naar gegevens rond volumes, kwaliteiten en leeftijd 
van de economisch belangrijkste boomsoorten, in het bijzonder populier en grove den. 

3.2.3

 

Bosonderzoek 

Bij deze derde en laatste doelgroep gaat vooral interesse uit naar een algemeen referentiekader 
dat de toestand van de Vlaamse bossen schetst. Op basis daarvan is doorheen de tijd een be-
trouwbare analyse van eventuele veranderingen mogelijk.  
Daarnaast kunnen de gegevens uit de VBI gebruikt worden als startpunt voor het inzamelen van 
onderzoeksgegevens. Ook verkennend causaal onderzoek is mogelijk door de variabelen in een 
onderlinge relatie te analyseren en/of specifieke ecologische hypothesen te toetsen. Synergie-
mogelijkheden situeren zich vooral op het vlak van onderzoek naar standplaatsfactoren, verjon-
ging en biodiversiteit. 
Zo zijn op basis van de gegevens uit de eerste VBI volgende vijf wetenschappelijke papers ge-
publiceerd: 

 

‘EFOBEL un modèle de calcul de la séquestration du carbone par les forêts, selon les 
termes des Accords de Marrakech et les engagements de rapportage de la Belgique au 
Protocole de Kyoto’ (Laitat 

et al.

, 2004): voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de 

volumegegevens uit de Vlaamse en Waalse regionale bosinventaris. 

 

‘Inventory based carbon stock of Flemish forests: a comparison of European expansion 
factors’ (Van Camp 

et al.

, 2004): een onderzoek naar de impact van de verschillende 

conversie- en opschalingsfactoren op de schatting van de koolstofvoorraad aanwezig in 
de Vlaamse bossen. 

 

‘Growing-stock based assessment of the carbon stock in the Belgian forest biomass’ 
(Vande Walle 

et al.

, 2005) berekeningen voor een deel gebaseerd op gegevens uit de 

eerste VBI. 

 

‘Landscape factors and regional differences in recovery rates of herb layer richness in 
Flanders (Belgium)’ (Verheyen 

et al.

, 2006): onderzoek gebaseerd op de gegevens uit 

de vegetatieproefvlakken gecombineerd met oude landgebruikskaarten en een kaart 
met de potentiële natuurlijke vegetatie. 

 

‘Predicting patterns of invasion by Black Cherry (Prunus serotina Elrh.) in Flanders (Bel-
gium) and its impact on the forest understory community’ (Verheyen 

et al.

, 2007): ge-

baseerd op de complete dataset van de eerste VBI. 

background image

 

18 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 
Daarnaast is de VLINA-studie ‘Ecosysteemvisie bos Vlaanderen: ruimtelijke uitwerking van de 
natuurlijke bostypes op basis van bodemgroeperingseenheden en historische boskaarten’ (De 
Keersmaeker 

et al.

, 2001) voor een deel gebaseerd op de vegetatieopnames van de eerste VBI. 

In het kader van een andere VLINA-studie hebben Van Den Meersschaut 

et al.

 (2001) de Au-

thenticiteitsindex uitgewerkt. Dat is een scoresysteem gebaseerd op het ontwerp van de VBI 
zodat we a.d.h.v. de gegevens uit de VBI de authenticiteit en natuurlijkheid van de Vlaamse 
bossen kwantitatief kunnen beoordelen. 
Ook het vermelden waard is dat de ontwikkeling van de nieuwste bostypologie van Cornelis 

et 

al.

 (2007) voor een groot deel gebaseerd is op de vegetatieopnames uit de eerste VBI. 

Tot slot zijn nog twee onderzoeksrapporten uitgebracht die uitgaan van de gegevens uit de eer-
ste VBI:  

 

‘Homogene bestanden: een analyse uit de eerste bosinventarisatie van het Vlaamse 
Gewest’ (Van Loy, 2002). 

 

‘Verwerking van de opgemeten schorsdiktes uit de eerste gewestelijke bosinventarisatie 
(1997 – 1999)’ (Van Loy & Quataert, 2003). 

3.3

 

Uitbreiding naar een meetnet voor monitoring van natuur (in 

het buitengebied) 

De Vlaamse overheid beschikt momenteel niet over gebiedsdekkend informatie over de toestand 
van natuur in het buitengebied (Van Reeth & Vanongeval, 2005). Volgens ons is het mogelijk 
om met meetnetgegevens uit een systematische steekproef gelijkaardig aan de VBI de opper-
vlakteverdeling van de natuurtypen en de soortendiversiteit van geselecteerde groepen op te 
volgen. En dat eveneens met een cyclus van tien jaar. Een stratificatie op basis van de Biologi-
sche Waarderingskaart zou toelaten om per natuurtype de gewenste informatie in te zamelen 
en de evoluties op te volgen. Deze idee werken we verder uit in de discussienota ‘Monitoring 
van natuur (in het buitengebied)’. 

4

 

Ontwerp tweede VBI 

We bespreken eerst kort het minimale ontwerpscenario. Op basis van dit scenario zijn modulaire 
uitbreidingen mogelijk. We geven kort aan welke informatie ze generen en welke extra kost 
daar tegenover staat. Op het eind van deze beleidssamenvatting vindt u in een bijlage een kort 
overzicht van het steekproefontwerp, de bemonsteringsmethodiek en de variabelenkeuze. 

4.1

 

Minimaal ontwerpscenario 

Het meetnetontwerp berust op een systematische steekproef (raster 1km x 0.5km). Gespreid 
over Vlaanderen worden steekproefpunten bezocht waarin bosbouwkundige metingen gebeuren 
en de vegetatie wordt geïnventariseerd. 
 
We vertrekken vanuit een minimaal ontwerpscenario (zie bijlage) dat in grote lijnen overeen-
stemt met het ontwerp van de eerste VBI. Wel hebben we enkele belangrijke aanpassingen 
doorgevoerd: 

 

We zullen werken met een continue (cyclus van tien jaar) i.p.v. een periodieke (drie 
jaar) meetcampagne. Enerzijds laat dat toe om op meer regelmatige basis te rapporte-
ren (zoals vooropgesteld door het Bosdecreet) en dit a.d.h.v. recente meetgegevens. 
Anderzijds waarborgt dit de continuïteit en kwaliteit (behoud van 

institutional knowled-

ge

) van het meetnet  

 

De vegetatieopnames zullen uitgevoerd worden op een raster van 1km x 0.5 km i.p.v. 
1km x 1km. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 19 

 

 

Bodemstaalnames worden niet opnieuw uitgevoerd. 

 

Tijdens de eerste VBI zijn ongeveer 474 steekproefpunten verschoven omwille van 
rand- en grenseffecten. Omdat we tijdens de tweede VBI ook een zicht willen krijgen op 
de karakteristieken van grens- en overgangszones (die immers een substantieel deel 
uitmaken van het Vlaamse bos) worden de verschoven steekproefpunten teruggeplaatst 
op hun oorspronkelijke positie. Indien een proefvlak valt in een grens- of overgangszone 
zullen we gebruik maken van de area decision method: een methode om een proefvlak 
te verdelen in twee subplots. 

 

Om de aanwezigheid van dood hout beter te kwantificeren zal ook het liggende dood 
hout opgemeten worden d.m.v. line intersect sampling. 

 

In het bosbouwkundig proefvlak meten we geen verjonging meer op in de kleinste cirkel 
A1. Voor de beoordeling van verjonging zullen we ons baseren op de gegevens uit de 
vegetatieopnames. Binnen de vegetatieproefvlakken worden mossen niet meer geïnven-
tariseerd. 

 
Op basis van het minimaal ontwerpscenario zijn modulaire uitbreidingen mogelijk. We geven 
kort aan welke informatie ze generen en welke extra kost daar tegenover staat.  

4.2

 

Mogelijke uitbreidingen 

We zetten nu de mogelijke uitbreidingen van het meetnet op een rij waarbij we een afweging 
maken tussen de kosten (in termen van geld of VTE’s) versus de baten (in termen van informa-
tiewinst). Voor de berekening met de VTE’s gaan we ervan uit dat een VTE veldwerker kan in-
staan voor 288 terreinbezoeken per jaar. En dat het bemonsteren van een steekproefpunt ge-
middeld 2.5 terreinbezoeken vereist: dendromtrische metingen in de winter en inventarisatie 
van de vegetatie in het voorjaar en/of in de zomer.  

4.2.1

 

Overbemonstering Natura 2000 habitattypes 

Voor de opvolging van de staat van instandhouding van de Natura 2000 boshabitattypes zal de 
VBI ingezet worden. De methodologie van dit meetnet laat immers toe om de verschillende cri-
teria die zijn opgesteld voor de beoordeling van de boshabitattypes op te volgen. Om twee re-
denen zullen we de boshabitattypes echter intensiever moeten bemonsteren: 

1.

 

De rapportage aan de Europese Commissie moet gebeuren met een cyclus van zes jaar. 
De cyclus van de tweede VBI is echter vastgelegd op tien jaar en zal dus langer duren. 

2.

 

Enkele boshabitattypes zijn zeldzaam en zullen waarschijnlijk overbemonsterd moeten 
worden (door een vernauwing van het steekproefraster tot bv. 0.5km x 0.5km) om de 
kwaliteitsnorm van 171 steekproefpunten per boshabitattype te halen. Daarbij komt dat 
nog niet duidelijk is of het Vlaamse, Waalse en Brusselse Hoofdstedelijk Gewest geza-
menlijk zullen rapporteren over de Belgisch Atlantische regio of dat het Vlaamse Gewest 
dat alleen zal doen. In het eerste geval komen ook steekproefpunten uit het Waalse en 
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest beschikbaar waardoor we met de VBI veel minder moe-
ten overbemonsteren. 

 

Kostenberekening: 

In de 

worst case scenario

 (geen samenwerking met het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Ge-

west + zesjaarlijkse rapportage op basis van zesjaarlijks ingezamelde gegevens) zullen de veld-
teams jaarlijks tussen de 50 en 100 steekproefpunten extra moeten bemonsteren wat overeen-
komst met 125 tot 250 extra terreinbezoeken per jaar. De overbemonstering voor Natura 2000 
vereist dan 0.4 tot 0.8 extra VTE per jaar. 
 
 

background image

 

20 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

4.2.2

 

Heropmeten verschoven steekproefpunten 

Tijdens de eerste VBI zijn ongeveer 474 steekproefpunten verschoven.  
Uitgaande van de doelstellingen van de tweede VBI zullen we de verschoven steekproefpunten 
terugplaatsen op hun oorspronkelijke positie. 
Dat impliceert dat we voor een aanzienlijk aantal steekproefpunten (ongeveer 474 of 1/6e van 
de bemonsterde steekproefpopulatie) tijdens de tweede VBI geen gepaarde metingen zullen 
hebben. Met als gevolg een verlies aan precisie en onderscheidend vermogen. We kunnen hier-
op anticiperen door ook de reeds verschoven steekproefpunten eenmalig opnieuw op te meten 
zodat we - op het niveau van de steekproefpopulatie - over voldoende steekproefpunten be-
schikken om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over trends (bv. aanwas). 
 

Kostenberekening: 

Concreet betekent dit dat we tijdens de tweede VBI ongeveer 474 nieuwe steekproefpunten 
moeten lokaliseren en de 474 reeds verschoven steekproefpunten nog eenmalig opnieuw zullen 
opmeten. In globo dus 474 extra steekproefpunten t.o.v. de totale steekproefpopulatie. 
Een steekproefpunt staat gelijk met 2.5 terreinbezoeken. In totaal ongeveer 1200 extra terrein-
bezoeken of 120 extra terreinbezoeken per jaar. Dat komt overeen met 0.4 extra VTE. 

4.2.3

 

Gebruik van Field-Map 

Field-Map kan een belangrijke meerwaarde leveren voor de tweede én volgende VBI’s. 
 
Een eerste groot knelpunt waarop Field-Map kan anticiperen is het exact herlokaliseren van de 
steekproefpunten. Dat zal voor de tweede VBI geen evidente zaak zijn, het grootste deel van 
het terreinwerk zal daarom besteed moeten worden aan het terugvinden en nauwkeurig positio-
neren van de steekproefpunten. Maar gedurende volgende meetcampagnes zullen we hier ruim-
schoots de vruchten van plukken (in termen van tijdsbesteding en nauwkeurige locatie van de 
steekproefpunten). Het bosreservatenteam van het INBO is reeds overgeschakeld op Field-Map 
wat een structurele samenwerking mogelijk maakt. 
 
Een tweede groot knelpunt is het heridentificeren van de individuele bomen. Field-Map laat toe 
om op het veld de kenmerken van de bomen te koppelen aan de posities. Eenmaal een boom 
gepositioneerd is, kunnen de veldwerkers controleren of het effectief de boom is die ze voor 
ogen hebben. Zonder Field-Map zal het heel wat tijd vragen om de individuele bomen te heri-
dentificeren en hierbij geen fouten te maken. Zeker gezien het feit dat tussen de eerste en 
tweede meetcampagne een periode van 12 tot 22 jaar zal liggen. 
 
Een derde voordeel van Field-Map is dat door de eigen opbouw van de databank (in Project Ma-
nager) gepaarde metingen (zowel per boom als per steekproefpunt) direct gekoppeld worden 
aan de metingen uit de vorige meetcampagne. Dat laat enerzijds een betere foutencontrole toe. 
En anderzijds vereenvoudigt dat sterk de gegevensverwerking achteraf. 
 
Tot slot geven we nog aan dat gebruik van Field-Map d.m.v. verschillende modaliteiten zal re-
sulteren in een veel hogere kwaliteit van de ingezamelde gegevens. O.a. omdat het mogelijk 
wordt om gedurende de opeenvolgende meetcampagnes op gestandaardiseerde wijze de gege-
vens in te zamelen en op te slaan in een robuuste databank. Indien we dat niet doen, bestaat 
het risico dat we iedere meetcampagne werken met andere methoden en databanken zodat na 
verloop van tijd vergelijking van de gegevens heel moeilijk wordt. Zeker omdat we in het geval 
van de VBI werken met gepaarde metingen op twee niveaus: enerzijds gepaarde steekproef-
punten, anderzijds gepaarde individuele bomen. Om hier mee om te gaan hebben we een ro-
buuste structuur nodig. 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 21 

 

Kostenberekening: 

Het ANB zal voor de VBI werken met drie veldteams die elk een Field-Map uitrusting behoeven. 
De totale investeringskost hiervoor (drie velduitrustingen + bijhorende software + training en 
ondersteuning) is geraamd op € 75 000 euro (inclusief BTW). Op lange termijn zal deze investe-
ring ongetwijfeld resulteren in een tijdswinst (veldwerk + verwerking gegevens) én een betere 
kwaliteit van de meetgegevens. 

4.3

 

Algemene kostenraming 

De kost van een meetnet is niet enkel afhankelijk van de gegevensinzameling maar ook van 
andere factoren. Die bespreken we nu kort en op het eind geven we een algemene kostenra-
ming. 
 
 

Investeringskosten 

 
Field-Map kost bij aankoop ongeveer € 75 000 (inclusief BTW). Hierin zijn de module voor de 
basisverwerking van de gegevens (Inventory Analyst), een driedaagse opleiding en helpdesk 
gedurende een jaar inbegrepen. Voor updates en onderhoud is het realistisch rekening te hou-
den met een kost van 10 % per jaar. Ook moeten we nog rekening houden met de afschrijvin-
gen.  
 
Een andere investeringskost is de ontwikkeling van een webstek. Het is best dit uit te besteden 
aan een externe firma (+ een vertaalbureau voor de Engelstalige webpagina’s) onder toezicht 
van een intern team. Mogelijke leden hiervoor zijn de communicatieverantwoordelijke, de data-
bankmanager (om te zorgen dat gegevens eens ze gevalideerd zijn vlot kunnen doorstromen 
naar de gebruiker), een tweetal vertegenwoordigers uit het beleid en misschien ook een paar 
typische gebruikers. 
 
 

Coördinator - meetnetbeheerder 

 
De coördinator - meetnetbeheerder staat in voor het verdelen van de taken onder de veldploe-
gen, de supervisor en administratief medewerker, de databankverantwoordelijke, de persoon 
belast met de gegevensverwerking en/of rapportage, en evt. andere medewerkers. Ook is de 
coördinator - meetnetbeheerder naar de buitenwereld en het beleid toe het aanspreekpunt voor 
vragen rond de VBI. De functie van coördinator - meetnetbeheerder begroten we op 0.2 VTE 
per jaar. 
 
 

Het eigenlijke veldwerk 

 
Voor het minimale scenario schatten we ca. 2.5 VTE per jaar. Uiteraard moet deze jaarlijkse 
meetinspanning over meerdere personen / ploegen verdeeld worden naargelang de provincie. In 
deze begroting zijn de kleine wijzigingen en verbeteringen in de opnametechniek verrekend. 
Een eventuele overbemonstering voor de opvolging van de SvIH van de Natura 2000 boshabi-
tattypes impliceert ongeveer 0.6 VTE per jaar extra. Hierbij gaan we wel uit van de worst case 
scenario waarbij geen gegevensuitwisseling is tussen het Vlaams en Waals gewest en waarbij de 
zesjaarlijkse rapportage moet gebeuren op basis van zesjaarlijks ingezamelde gegevens. 
Het heropmeten van de verschoven steekproefpunten zal ongeveer 0.4 VTE per jaar extra vra-
gen. Deze extra inspanning is uiteraard beperkt tot de eerste tien jaar. 
Dus naargelang het scenario zullen voor het eigenlijke veldwerk 2.5 tot 3.5 VTE per jaar nodig 
zijn. 
 

background image

 

22 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 

Supervisie en administratief werk 

 
Onder supervisie verstaan we enerzijds het technisch opleiden, opvolgen en indien nodig bijstu-
ren van de veldwerkers. Ook moeten een deel administratieve taken vervuld worden zoals het 
jaarlijks selecteren van de steekproefpunten a.d.h.v luchtfoto-interpretatie, het jaarlijks aan-
schrijven van de eigenaars van de bossen waarin steekproefpunten zullen bemonsterd worden, 
enz. Deze supervisie en het administratieve werk begroten we op 0.2 VTE per jaar. 
 
 

Gegevensbeheer: aanmaak databank en Field-Map Project, kwaliteitszorg, ba-
sisverwerking gegevens en routine rapportering 

 
Het is zinvol om ook minstens 0.5 VTE per jaar te voorzien voor gegevensbeheer. Het profiel 
van deze persoon is een informaticus met sterke affiniteit voor gegevensverwerking of een sta-
tisticus die heel goed overweg kan met databanken en programmeren. Een goede kennis van 
mixed models is hierbij een must. 
De VBI impliceert immers een continue instroom van gegevens waarvan voortdurend de kwali-
teit moet opgevolgd worden via routinematige controle en tussentijdse analyses. Tegelijkertijd 
mogen we ons aan een sterke bevraging verwachten van de databank: regionale en internatio-
nale rapportage, onderzoeksinstellingen die gegevens opvragen, interne vraag naar synthese 
van de gegevens op ad hoc aggregatieniveaus, het onderhoud en update van de webstek, … 
Als voor deze taken geen persoon wordt vrijgesteld (eventueel in combinatie met een ander 
vergelijkbare taak, bv. het beheer van andere ANB databanken), is het risico groot dat de kwali-
teit en beschikbaarheid van de gegevens ondermaats zal zijn. 
 
Deze persoon kan bij volgende taken ingezet worden: 
 

 

Voorbereiding en technische support meetcampagne: 
De aanmaak van de databank, de programmering van de veldcomputer, het aanmaken 
van een 

Field-Map Project

, het oplossen van knelpunten met het Field-Map Project 

(helpdesk). Ook het opleiden en trainen van de veldwerkers valt hieronder. We bena-
drukken dat vooral in de periode voor de start van het eigenlijke veldwerk heel wat tijd 
zal kruipen in de aanmaak van het 

Field-Map Project

. Het is enorm belangrijk dit vol-

doende te begroten (suggestie: een looptijd van zes - negen maand) omdat de kwaliteit 
van het Field-Map Project fundamenteel is voor de kwaliteit van de gegevensinzameling 
en de gegevensverwerking achteraf. 
Daarnaast is elk jaar een opfrissing nodig. Een jaarlijkse intercalibratie-oefening is een 
interessante methodiek om de kwaliteit hoog te houden en het helpt ook om de veld-
medewerkers te blijven motiveren. Op deze sessie kunnen hun praktische problemen en 
hun suggesties voor verbetering besproken worden. 

 

 

Kwaliteitszorg van de gegevens en basisanalyse van de gegevens: 
Het invoeren van de meetgegevens en bijhorende foutencontrole en kwaliteitszorg ne-
men tijd in beslag. Hiervoor is het nodig kort op de bal te spelen. Want als ergens sys-
tematische fouten optreden, is het best zo snel mogelijk in te grijpen.  
Regelmatige tussentijdse analyses kunnen hiertoe ook bijdragen. Elk jaar zou een tech-
nisch rapport moeten gemaakt worden van de meetresultaten dat nagelezen wordt door 
enkele interne gebruikers van de gegevens. Op die manier is het mogelijk tijdig grote 
anomalieën en/of onverwachte trends op te sporen die nader onderzocht moeten wor-
den. 

 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 23 

 

 

Routinerapportage en ter beschikking stellen van gegevens: 
Sommige rapportages zijn relatief eenvoudig te standaardiseren aangezien met een be-
paalde vaste tussenperiode een standaardrapport moet opgeleverd worden. Hierbij den-
ken we aan de natuurindicatoren van NARA, de rapportage over de staat van instand-
houding van de Natura 2000 boshabitattypes, de criteria en indicatoren van de 

Ministe-

rial Conference on the Protection of Forests in Europe

 e.a. Als hiervoor stapsgewijs mo-

dules ontwikkeld worden, dan zal dat over de jaren heen altijd maar efficiënter gebeu-
ren. Hiervoor hebben we iemand nodig die vertrouwd is met de databank. Zo niet zal nu 
eens de ene persoon dan weer een andere persoon deze routineberekeningen uitvoeren, 
zonder dat een coherentie van de resultaten gegarandeerd is. 
Daarnaast zijn er (al dan niet in het kader van openbaar bestuur) heel wat vragen naar 
gegevens. Voor een deel kan deze stroom opgevangen worden via het onderhoud van 
een goed doordachte webstek. Maar toch zullen nog altijd vragen binnenkomen die niet 
standaard te beantwoorden zijn. Ook is het goed de gegevensaanvragen op te volgen in 
het kader van wetenschappelijk onderzoek. Meestal moeten de gegevens in dat geval 
ook in een hoger detailniveau ter beschikking gesteld worden. 

 
 

Rapportage en communicatie 

 
Het is belangrijk voldoende te investeren in een goede rapportage van en communicatie rond de 
meetnetresultaten. Enkel op deze manier kunnen we de doelstellingen van het meetnet (het 
leveren van informatie aan het beleid en aan de andere doelgroepen) ten volle waarmaken. 
We onderscheiden acht eindproducten van het meetnet: de beleidssamenvatting, het technisch 
rapport, onderzoeksrapporten, het natuurrapport, internationale rapportering, een studiedag, 
een website en de individuele rapporten aan de boseigenaars. Een aantal zaken hiervan kan de 
gegevensbeheerder zelf aan zolang het gaat om de aanlevering van de gegevens voor een rap-
port en/of basisverwerkingen. Maar van zodra het gaat om de interpretatie van de gegevens, is 
een extra inzet van personeel en middelen nodig. De frequentie hiervan is om de vijf à zes jaar, 
ofwel door iemand intern hiervoor vrij te stellen ofwel d.m.v. externe studies (bv. onderzoeks-
rapporten). 
 
 

Samenvattende kostenraming 

 
Investeringen & afschrijvingen: 

 

Field-Map en ander veldmateriaal: € 75 000  

 

Ontwikkeling van de webstek (inclusief Engelstalige webpagina’s): te bepalen via offerte 

 
Routinematige kosten: 

 

Coördinator - meetnetbeheerder: 0.2 VTE / jaar 

 

Veldwerk: 2.5 à 3.5 VTE / jaar (naargelang de extra modules die opgenomen worden) 

 

Supervisie en administratief werk: 0.2 VTE 

 

Gegevensbeheer, standaardrapporten en webstek: 0.5 VTE / jaar 

 

Integrale verwerking van de gegevens en rapportage / communicatie (synergie met co-
ördinator – meetnetbeheerder): 1 VTE / 5 jaar (afstemmen op beleidscyclus) 

 
Periodieke kosten: 

 

Inhoudelijke wetenschappelijke studies / onderzoeksrapporten 

 

Methodologische en technische studies om het meetnetontwerp bij te sturen en de wer-
king van het meetnet te verbeteren 

 
We merken nog op dat in de aanloop naar de veldcampagne en gedurende het eerste jaar van 
de veldcampagne een piek zal optreden in de werkbelasting van alle personen die betrokken 

background image

 

24 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

zijn bij de tweede VBI. Deze extra werkbelastingen ramen we op 0.5 VTE in de 12 maanden 
voor de effectieve start van de meetcampagne. 
 
Eens het meetnet operationeel is, zal deze werkdruk stabiliseren op een lager niveau. 

5

 

Besluit en aanbevelingen 

De VBI zal het ANB de komende decennia helpen bij de ondersteuning en evaluatie van de ge-
maakte beleidskeuzes. Hiertoe hebben we enkele wijzigingen aangebracht in het ontwerp. De 
meest belangrijkste aanpassing is dat we van een periodiek meetnet overschakelen naar een 
continu meetnet, m.a.w. gedurende een periode van tien jaar zal jaarlijks een deel van de 
steekproefpunten bezocht worden. Na tien jaar begint de meetcampagne voor de volgende VBI. 
Dit continu karakter vereist een lange termijn visie en dito vrijmaking van middelen vanuit het 
beleid. Zo niet zal het meetnet niet optimaal functioneren en zal de kwaliteit van de geleverde 
informatie niet voldoen aan de verwachtingen. 
 
Het is belangrijk te beseffen dat een meetnet kwaliteitszorg vereist. Dat betekent dat zowel de 
gegevensinzameling als de gegevensverwerking en rapportage voldoende begroot moeten wor-
den. Vele meetnetbeheerders maken de fout sterk te investeren in gegevensinzameling maar ze 
besteden te weinig aandacht aan de verwerking en rapportage. Dat willen we met de VBI ver-
mijden. Daarom hebben we bewuste keuzes gemaakt die ervoor zorgen dat het veldwerk be-
perkt wordt tot het noodzakelijke minimum. Dat creëert ruimte om te investeren in de kwaliteit 
van de gegevensverwerking en doelgroepgerichte rapportage. M.b.t. dit laatste aspect geven we 
mee dat een nationale bosinventaris traditioneel een sterk internationaal karakter heeft. Het 
internationaal ter beschikking stellen van de resultaten via een website is dan ook een must. 
 
De VBI laat een zekere vorm van beleidsevaluatie toe. Het is echter belangrijk dat vanuit het 
ANB de doelen van het gevoerde beleid / beheer voldoende geëxpliciteerd en gekwantificeerd 
worden zodat het mogelijk is deze af te toetsen aan de meetnetresultaten. In deze context wil-
len we de aandacht vestigen op een mogelijkheid tot synergie met het monitoringprogramma 
integrale bosreservaten. De Vlaamse bosreservaten kunnen in zeker mate fungeren als referen-
tiesites t.o.v. waarvan de we evolutie van de beheerde bossen kunnen vergelijken en dus beter 
interpreteren. In het bijzonder wat betreft de natuurlijkheid, authenticiteit en biodiversiteit van 
onze bossen. Dat is mogelijk omdat in opdracht van ANB reeds enkele scoresystemen (bv. Au-
thenticiteitsindex en EDUBO-indicatorenset) voor de beoordeling van de authenticiteit, de na-
tuurlijkheid en het duurzaam karakter van de bosgebieden zijn uitgewerkt. A.d.h.v. de bosre-
servaten kunnen we deze scoresystemen ijken. En dat moet het mogelijk maken om op termijn 
vanuit het ANB meer kwantitatieve normen, referentiewaarden of doelstellingen te formuleren. 
 
Tijdens het project is een handleiding voor de meetnetbeheerder uitgewerkt. Met als doel ten 
eerste documentatie opbouwen omtrent de genomen beslissingen, ten tweede een leidraad 
aanbieden voor het implementeren van het meetnet en ten derde een basis bieden voor het 
evalueren en evt. bijsturen van het meetnetontwerp. Hierbij hebben we gekozen voor een geïn-
tegreerde aanpak: de zes prioritaire vragen vormen de rode draad doorheen de gegevensinza-
meling, -verwerking en rapportage. Het is essentieel dat de VBI de komende decennia deze fo-
cus behoudt. Een continu meetnet dat de waan van de dag overstijgt levert op termijn immers 
veel meer bruikbare informatie dan een meetnet dat moet inspelen op de korte termijn vragen 
en verwachtingen. Dat neemt niet weg dat aanpassingen aan het meetnet mogelijk zijn indien 
een nieuwe lange termijn beleidsvraag op de proppen komt. 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 25 

 

6

 

Bijlage: ontwerp tweede VBI 

6.1

 

Steekproefontwerp 

Systematisch raster: 

 

Bosbouw: 1km x 0.5km 

 

Vegetatie: 1km x 0.5km 

 

Permanente steekproefpunten 

 

De steekproefpunten die tijdens de 1e VBI verschoven zijn omwille van grens- (bos - 
niet bos of binnen bos) of overgangssituaties (bestandstype) plaatsen we terug op hun 
oorspronkelijke locatie. 

 

Continu meetnet: 

 

Jaarlijks bezoeken we 1/10e van de totale steekproef op een systematische manier ge-
spreid over gans Vlaanderen. Jaarlijks zullen stroken of 5km x 5km hokken van steek-
proefpunten bezocht worden zodat transportkosten beperkt worden. 

 

Opties voor overbemonstering:  

 

I.f.v. de opvolging van de staat van instandhouding van de Natura 2000 boshabitatty-
pes, zullen in de worst case scenario jaarlijks 50 tot 100 steekproefpunten extra bezocht 
moeten worden. Dat komt overeen met 125 tot 250 extra terreinbezoeken.  

 

Omdat we ongeveer 474 verschoven steekproefpunten terugplaatsen op hun oorspron-
kelijke locatie, dreigen we heel wat gepaard metingen te verliezen. Daarom kunnen we 
deze punten eenmalig dubbel opmeten (zowel de oorspronkelijke als de teruggeplaatste 
steekproefpunten) zodat we met voldoende precisie en onderscheidend vermogen effec-
ten kunnen detecteren.  

 

Besluit:  

 

Het minimaal ontwerpscenario vereist ca. 2.5 VTE per jaar. 

 

De overbemonstering van de Natura 2000 boshabitattypes zou in de worst case scenario 
ongeveer 0.6 extra VTE per jaar vragen. 

 

Het heropmeten van de verschoven steekproefpunten tot slot zou overeenkomen met 
ongeveer 0.4 extra VTE per jaar. 

6.2

 

Variabelenkeuze 

6.2.1

 

Geografische en administratieve attribuutwaarden 

Attribuutwaarden zijn van belang voor een logische indeling van de steekproefpopulatie waar-
door we het bosareaal kunnen karakteriseren. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

26 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 1 

Beschrijving van de geografische en administratieve attribuutwaarden en het bronmateriaal voor inzameling 
van de ruwe meetgegevens 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Bron 

Kadastraal perceel 

Kadastraal perceelsnummer 

Kadaster 

Eigenaarcategorie 

(1) staat; (2) gewest; (3) provincie; (4) gemeente; (5) 
andere openbare instellingen; (6) privé 

Kadaster + gegevens ANB 
+ GIS-laag 

Provincie 

Vijf Vlaamse provincies 

Administratieve kaart 

Textuurklasse 

(1) geen gegevens; (2) zand; (3) lemig zand; (4) leem; 
(5) zandleem; (6) klei; (7) licht zandleem; (8) duin; (9) 
stenig; (10) veen; (11) zware klei 

Bodemkaart 

Fytogeografische regio 

Twaalf fytogeografische regio’s 

GIS 

Ecoregio Vijf 

ecoregio’s 

GIS 

Historiek 

Ferraris; Gereduceerd kadaster; Vandermaelen; militair 
cartografische kaart 1-2-3; topokaart van Nationaal Ge-
ografisch Instituut 1-2-3; Boskartering 1-2-…  

(Gedigitaliseerd) histo-
risch kaartmateriaal 

Lidmaatschap van bos-
groep 

(1) lid van bosgroep; (2) geen lid van bosgroep 

Gegevens  bosgroepen  en 
GIS 

Type beheer 

(1) geen of niet gekend; (2) via kapmachtiging; (3) via 
beperkt beheerplan; (4) via uitgebreid beheerplan in 
overeenstemming met CDB 

Gegevens ANB 

Ligging in VEN 

(1) gelegen in VEN; (2) niet gelegen in VEN 

GIS 

Ligging in SBZ 

(1) gelegen in SBZ; (2) niet gelegen in SBZ 

GIS 

Ligging in Natura 2000 
boshabitat 

(1) niet gelegen in Natura 2000 boshabitat; (2) 9120; 
(3) 9130; (4) 9160; (5) 9190; (6) 91E0 

GIS: habitakaarten Pae-
linckx 

et al.

 (2007) 

 

Tabel 2 

Verschillende categorieën en hun betekenis van het attribuut ‘herlokaliseren steekproefpunt’. 

Categorie Betekenis 

Koperen plaat niet gezocht / niet gevonden omdat het gebied nu geen bos meer is 

Koperen plaat teruggevonden 

Koperen plaat niet teruggevonden, maar het proefvlak en alle of de meeste individuele 
bomen zijn geïdentificeerd en gelokaliseerd. Het exacte middelpunt is opnieuw gepositi-
oneerd 

Nieuw steekproefpunt (dus niet bezocht tijdens eerste VBI) 

Het was niet mogelijk de koperen plaat terug te vinden en voldoende individuele bomen 
te identificeren en lokaliseren. Op de plaats waar het steekproefpunt theoretisch zou 
moeten leggen, is een nieuw permanent steekproefpunt geïnstalleerd 

 

Tabel 3 

Plaatsbepaling en terreinomstandigheden van de nieuwe steekproefpunten 

Variabele Eenheid 

X-coördinaat steekproefpunt 

UTM- of Lambertcoördinaten 

Y-coördinaat steekproefpunt 

UTM- of Lambertcoördinaten 

Expositie 

Afwijking t.o.v. het noorden (azimut, °) 

Helling 

Helling t.o.v. horizontale lijn (°) 

 
 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 27 

 

6.2.2

 

Bosbouwkundige meetgegevens 

Cirkel A

2

 (straal 4.5 m = 64 are) 

 

Tabel 4 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens aan staande bomen uit cirkel A2. 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

dbh < 7 cm en hoogte 

 2 

Aantal bomen per boom-
soort 

Numeriek 

 
 

Cirkel A

3

 (straal 9 m = 255 are) 

 

Tabel 5 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens aan staande bomen uit cirkel A3 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

dbh 

 7 cm en < 39 

cm 
 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Status 

(1) boom is levend; (2) boom is dood;  
Indien staande boom uit vorige meetcampagne niet meer 
aanwezig is: (3) boom is omgevallen; (4) boom is geëxploi-
teerd. Dan zijn meetvariabelen ‘Diameter op borsthoogte’ en 
‘Totale boomhoogte’ niet meer van toepassing’. 
Indien dode boom is afgebroken: (1) cylindervormig; (2) 
kegelvormig. 

Diameter op borst-
hoogte (twee lood-
rechte diametermetin-
gen) 

1 cm 

Totale boomhoogte 

0.5 m 

Stamhoogte eerste 
levende zijtak met 
dikte 

 2 cm 

0.5 m 

Elk x/1000

e

 exem-

plaar van een van de 
belangrijkste boom-
soorten (beuk, eik, 
populier, berk, grove 
den en Corsicaanse 
den) met dbh 

 25 

cm 

Takhoek eerste leven-
de zijtak met dikte 

 

10 cm 

(1) 0 tot 30°; (2) 30 tot 60°; (3) 

 60° 

Visuele schatting 
stamverloop 

(1) (nagenoeg) geen verloop; (2) zwak verloop; (3) sterk 
verloop 

Aanwezigheid defecten  (1) draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam; (2) vorst-

scheuren; (3) zonnebrand; (4) lijsten; (5) waterloten; (6) 
wortelaanlopen; (7) kankergezwellen; (8) rot; (9) schim-
mels; (10), insectenaantastingen; (11) wildschade; (12) be-
schadiging door bosexploitatie en –beheer; (13 andere 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

28 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 6 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens aan hakhoutstoven uit cirkel A3 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

Coördinaten 

van 

centrum hakhout-
stoof 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Hakhoutstoof 

Status 

(1) stoof levend; (2) stoof is dood;  
Indien stoof uit vorige meetcampagne niet meer aanwezig is: 
(3) stoof is omgevallen; (4) stoof is geëxploiteerd. Dan zijn 
meetvariabelen ‘Diameter op borsthoogte’ en ‘Gemiddelde 
hoogte hakhoutstoof’ niet meer van toepassing. 

Hakhoutstoof 

Diameter op borsthoogte 
(twee loodrechte diameter-
metingen) 

1 cm 

dbh van alle telgen 
van de hakhout-
stoof 

Gemiddelde hoogte hakhout-
stoof 

0.5 m 

Hakhoutstoof 

 
 

Cirkel A

4

 (straal 18 m = 1018 are) 

 

Tabel 7 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens aan staande bomen uit cirkel A4. 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

dbh 

 39 cm 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Status 

(1) boom is levend; (2) boom is dood;  
Indien staande boom uit vorige meetcampagne niet 
meer aanwezig is: (3) boom is omgevallen; (4) boom 
is geëxploiteerd. Dan zijn meetvariabelen ‘Diameter 
op borsthoogte’ en ‘Totale boomhoogte’ niet meer van 
toepassing’. 
Indien dode boom is afgebroken: (1) cylindervormig; 
(2) kegelvormig 

Diameter op borsthoogte 
(twee loodrechte diameter-
metingen) 

1 cm 

Totale boomhoogte 

0.5 m 

Stamhoogte eerste levende 
zijtak met dikte 

 2 cm 

0.5 m 

Elk x/1000

e

 

exemplaar van 
een van de be-
langrijkste boom-
soorten (beuk, 
eik, populier, 
berk, grove den 
en Corsicaanse 
den) met dbh 

 

25 cm 

Takhoek eerste levende zij-
tak met dikte 

 10 cm 

(1) 0 tot 30°; (2) 30 tot 60°; (3) 

 60° 

Visuele schatting stamver-
loop 

(1) (nagenoeg) geen verloop; (2) zwak verloop; (3) 
sterk verloop 

Aanwezigheid defecten 

(1) draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam; (2) 
vorstscheuren; (3) zonnebrand; (4) lijsten; (5) water-
loten; (6) wortelaanlopen; (7) kankergezwellen; (8) 
rot; (9) schimmels; (10), insectenaantastingen; (11) 
wildschade; (12) beschadiging door bosexploitatie en 
–beheer; (13 andere 

 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 29 

Line Intersect Sampling 

 

Tabel 8 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens van de transectlijnen voor ontwortelde bomen en liggend 
hout. 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Loodrechte diameterme-
ting 1 

1 cm 

1

2

7

2

d

d

cm

+

 

Loodrechte diameterme-
ting 2 

1 cm 

Boomsoortbepaling 

(1) loofhout; (2) naaldhout; (3) onbekend 

Helling 

Hoek (°) die dood-hout-element maakt met hori-
zontale lijn 

6.2.3

 

Bosbouwkundige attribuutwaarden 

Tabel 9 

Overzicht van de bosbouwkundige attribuutwaarden in de observatiecirkel (straal 36 m = 4072 are). 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Landgebruik steekproefpunten 
buiten bos 

(1) niet-beboste natuur; (2) landbouw (grasland of akker); (3) bewoning; 
(4) industrie; (5) infrastructuur; (6) grondstofwinning; (7) stort; (8) an-
dere 

Verschijningsvorm niet bebos-
te steekproefpunten binnen 
bos

 

(1) open ruimte binnen bos; (2) kapvlakte; (3) boswegen; (4) gracht, 
beek, poel of vijver; (5) bewoning, recreatie of andere infrastructuur; (6) 
andere 

Niet toegankelijk 

1 indien steekproefpunten praktisch niet te bemonsteren zijn 

Overwoekerd door bramen, 
rododendron of … 

1 indien steekproefpunten overwoekerd zijn bramen, rododendron of an-
dere vegetatie waardoor het moeilijk is dendrometrische metingen uit te 
voeren 

Bestandstype 

(1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd naald-
hout 

Bedrijfsvorm 

(1) hooghout; (2) middelhout; (3) hakhout; (4) te bepalen (verjongingen, 
kap- en brandvlaktes) 

Mengingsvorm 

(1) homogeen; (2) stamsgewijs; (3) groepsgewijs 

Bestandsleeftijd / plantjaar 
(gelijkjarige bestanden) 

(1) tot (8) leeftijdsklassen van 20 jaar; (9) > 160 jaar; (10) ongelijkjarig  

Ontwikkelingsfase 

(1) jongwas; (2) dichtwas; (3) staakhout; (4) boomhout 

Windworp 

1 indien windworp aanwezig is in de observatiecirkel 

6.2.4

 

Vegetatiekundige meetgegevens 

Tabel 10 

Overzicht van de vegetatiekundige meetgegevens 

Meetvariabele Eenheid 

Plantensoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam 

Vegetatielaag per planten-
soort 

(1) Kruidlaag: alle niet-houtige, en houtige flora < 0.5 m incl. zaailingen en 
afgevreten bomen; (2) Struiklaag: enkel houtige flora 

 0.5 m en < 6 m, 

incl. klimplanten; (3) Boomlaag: enkel houtige flora 

 6 m, incl. klimplanten 

Abundantie / bedekking per 
plantensoort per vegetatie-
laag 

Getransformeerde schaal van Braun-Blanquet volgens van der Maarel 
(1979): r, +, 1, 2m, 2a, 2b, 3, 4, 5 

 
 

 

background image

 

30 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

6.2.5

 

Vegetatiekundige attribuutwaarden 

 
Op basis van visuele observaties in het vegetatieproefvlak van 16m x 16m kennen we aan het 
steekproefpunt een aantal vegetatiekundige attribuutwaarden toe. 
 

Tabel 11 

Overzicht van de vegetatiekundige attribuutwaarden. 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Storende factoren voor 
classificatie bostypegroep 

(1) in of nabij bospad; (2) in of nabij bosrand; (3) op of nabij be-
standsrand; (4) op of nabij grens bostypegroepen; (5) plaatselijke 
voedselaanrijking bodem; (6) plaatselijke verstoring bodem; (7) net 
gekapt of omgevormd of verjongd bestand; (8) andere 

Maximale hoogte kruidlaag 

In klassen van 10 cm 

6.3

 

Veldmethodiek 

Geneste cirkels voor bosbouwkundige metingen staande bomen: 

 

A

2

: straal 4.5 meter = 64 are 

 

A

3

: straal 9 meter = 255 are 

 

A

4

: straal 18 meter = 1018 are 

 

Observatiecirkel: straal 36 meter = 4072 are 

 

 

Figuur 2 

Bemonsteringsmethodiek a.d.h.v. geneste cirkels voor de bosbouwkundige metingen aan staande bomen. 

 

Dood hout: 

 

Staand dood hout: omtrek op borsthoogte en hoogte voor bomen in cirkel A

3

/A

4

 

 

Liggend dood hout: 

Line Interesct Sampling

 

 

Voor alle ontwortelde (en evt. liggende bomen) (levend of dood) waarvan de diameter 
op snijpunt met meetlijn 

 7 cm. 

 

Voor alle dood-hout-elementen waarvan de diameter op snijpunt met meetlijn 

 7 cm. 

 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 31 

 

Figuur 3 

Line Intersect Sampling

 voor de bemonstering van ontwortelde bomen en het liggend hout. 

 

Vegetatieproefvlak

 

voor vegetatieopnames

 (inclusief verjonging, exclusief mossen) 

Inventarisatie van alle plantensoorten en beoordeling van hun bedekking / abundantie in kruid-
laag, struiklaag en boomlaag. 

 

Figuur 4 

Proefvlak van 16m x 16m voor het inventariseren van de vegetatie en de verjonging. 

 

Steekproefpunten op randen / grenzen / wegen / open plekken / andere niet-beboste 
oppervlakte binnen het bos: 

 

Steekproefpunten worden niet meer verschoven 

 

Area Decision Method 

 

 

background image

 

32 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

1

 

Fase I: Prioriteren van de informatiebehoef-

ten 

1.1

 

Inleiding 

Het ontwerp van een beleidsgericht meetnet zoals de VBI gaat uit van een (generieke) vraag 
naar informatie door de opdrachtgever, met name het Agentschap voor Natuur en Bos. Meestal 
is de initiële informatiebehoefte vrij vaag omschreven. Daarom komt in § 1.2 een analyse aan 
bod van welk type informatie nodig is en hoe deze informatiebehoefte kadert in de diverse ta-
ken van het ANB. Eveneens kijken we naar de informatiebehoeften van andere doelgroepen zo-
als internationale beleidsinstanties, het bosbeheer en het bosonderzoek. 
In § 1.3 bespreken we kort de wetenschappelijke context waarbinnen het meetnet kadert. Een 
beleidsgericht meetnet heeft weliswaar niet als doel wetenschappelijke onderzoeksvragen te 
beantwoorden. Maar het is wel essentieel dat de gegevensinzameling (Fase II) en de gegevens-
verwerking en –interpretatie (Fase III) wetenschappelijke gefundeerd zijn. Ook de kwaliteits-
zorg (Fase V) is gebaseerd op de principes van goed wetenschappelijk onderzoek. 
De VBI is een van de meetnetten die gegevens aanlevert voor het Vlaamse en internationale 
natuur- en bosbeleid. De informatie uit deze verschillende gegevensbronnen kan elkaar aanvul-
len en versterken, hetgeen uiterst relevant is voor een beleidsinstantie als het ANB. De moge-
lijkheden tot synergie tussen de VBI en andere gegevensbronnen worden daarom besproken in 
§ 1.4. 
Tot slot maken we in § 1.5 een analyse van de randvoorwaarden waarmee we rekening moes-
ten houden tijdens de ontwerpfase van het meetnet. 
 
De vier bouwstenen van Fase I (§ 1.2 t.e.m. § 1.5) zijn allen analytisch van aard. Op basis van 
dit analytisch kader zijn beslissingen genomen omtrent de context, functie, doelstelling, doelpo-
pulatie en prioritaire vragen van de tweede VBI. Deze meetnetkenmerken bespreken we in on-
derstaand kaderstuk. Zij determineren in belangrijke mate de volgende fasen van deze handlei-
ding. 
 
Dank zij deze karakteristieken is het meetnet in staat ons te vertellen in hoeverre de beleids-
doelstellingen - zoals beschreven in het Bosdecreet, de beheervisie van het ANB en de Criteria 
Duurzaam Bosbeheer - gehaald worden en in hoeverre het generieke Vlaamse bosbeleid (een 
pakket van beleids- en beheermaatregelen) een impact heeft op bepaalde kenmerken van het 
bos op schaalniveau Vlaanderen. 
 
 

Samenvattend 

 
De VBI is een meetnet in een strategische context. We zijn in eerste instantie geïnteresseerd in 
de toestand van bepaalde kenmerken over de ganse doelpopulatie en bepaalde strata (bv. bos-
typegroepen) ervan. De cijfers dienen om de beleidswerking van het ANB te ondersteunen. Zo 
kan het meetnet ons vertellen in hoeverre het generieke Vlaamse bosbeleid (een pakket van 
beleid- en beheermaatregelen) een impact heeft op bepaalde kenmerken van het bos op 
schaalniveau Vlaanderen. Daarnaast worden de meetnetgegevens gebruikt om te voldoen aan 
internationale rapporteringsverplichtingen. Tot slot kunnen de resultaten ook dienen als referen-
tiekader voor het Vlaamse bosbeheer en bosonderzoek. 
 
De doelstelling van het meetnet is voor bepaalde thema’s toestandsopvolging (bv. samenstelling 
bosvegetatie onder invloed van milieuveranderingen, voor andere thema’s veeleer monitoring 
(bv. boomsoortensamenstelling, bestandsopbouw, indicatoren voor biodiversiteit). 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 33 

 

 
De  functie is vooral signaleren. We willen de toestand van de Vlaamse bossen opvolgen en 
eventuele (negatieve) evoluties tijdig oppikken. We weten welk pakket aan beleid- en beheer-
maatregelen getroffen wordt, maar het is niet mogelijk bepaalde evoluties uniek toe te wijzen 
aan een bepaalde beleid- of beheermaatregel (de zgn. causaliteitskwestie). 
 
De doelpopulatie is ‘de verzameling van bosgebieden in Vlaanderen’. 
 
De prioritaire vragen hebben betrekking op volgende thema’s: 

1.

 

Toestand en evolutie van de karakteristieken van het bosareaal. 

2.

 

Toestand en evolutie van de boomsoortensamenstelling. 

3.

 

Toestand en evolutie van de bestandsopbouw. 

4.

 

Toestand en evolutie van enkele indicatoren voor biodiversiteit. 

5.

 

Toestand en evolutie van de bosvegetatie onder invloed van milieuveranderingen. 

6.

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en -gebruik. 

 
Samenvattend kunnen we stellen dat de VBI een beleidsondersteunend meetnet is om op grote 
ruimtelijke schaal (Vlaanderen) en met een grote temporele schaal (tien jaar) een uitspraak te 
doen over de toestand en eventuele veranderingen van het Vlaamse bossysteem . We kiezen 
bewust voor een representatieve onderbouw (steekproef op basis van een systematisch raster 
van 1km x 0.5km) van het meetnet omdat dit garandeert dat we een onvertekend beeld krijgen 
van het Vlaamse bos. Het opvolgen van lokale beheermaatregelen of het achterhalen van oor-
zaak-gevolg relaties behoren niet tot de kerntaak van de VBI. 

1.2

 

Analyse van de vraagzijde 

We geven hier een overzicht van de informatiebehoeften waarvan besloten is dat we die met de 
tweede en volgende VBI’s kunnen en willen beantwoorden. Een uitgebreide bespreking vindt u 
terug in de discussienota’s ‘Typologie doelgroepen’ en ‘Beschrijving van de informatienood’. 
Merk op dat het ANB opdrachtgever en uitvoerder is van de VBI en dat we hun informatiebe-
hoeften als prioritair aanzien. 
Daarnaast zijn er ook andere doelgroepen die we met de tweede VBI willen en kunnen bedie-
nen. Ook al is er vaak een link met de vragen van het ANB, toch bespreken we de informatiebe-
hoefte van deze doelgroepen afzonderlijk om duidelijk het onderscheid te maken. Immers, de 
thema’s van de vragen (bv. biodiversiteit) zijn vaak dezelfde, maar de aard van de opgevraagde 
informatie is dat niet. Die aard (bv. resolutie, schaal, frequentie, …) bepaalt sterk het meetnet-
ontwerp en daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen de informatiebehoefte van de 
opdrachtgever en die van de andere doelgroepen. 

1.2.1

 

Informatiebehoefte van het ANB 

De opdrachtgever voor het ontwerp en gebruik van de tweede VBI is het Agentschap voor Na-
tuur en Bos. Hun vragen t.a.v. het meetnet situeren zich voornamelijk op een beleidsniveau en 
worden gestuurd door twee factoren: 

1.

 

De behoefte aan informatie ter ondersteuning en evaluatie van het Vlaamse bosbeleid. 

2.

 

Internationale rapporteringverbintenissen en -verplichtingen. 

Het tweede aspect lichten we toe in § 1.2.2 omdat het ANB in deze materie vooral fungeert als 
een tussenpersoon voor het aanleveren van informatie. Het beleid van het ANB is slechts in be-
perkte mate afgestemd op de toestand en evolutie van bossen in andere (Europese) landen. 
 
M.b.t. het eerste aspect richt de informatiebehoefte van het ANB zich inhoudelijk op zes priori-
taire vragen, met name de toestand en evolutie van: 

1.

 

De karakteristieken van het bosareaal. 

background image

 

34 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

2.

 

De boomsoortensamenstelling. 

3.

 

De bestandsopbouw. 

4.

 

Enkele Indicatoren voor biodiversiteit. 

5.

 

De bosvegetatie onder invloed van milieuveranderingen. 

6.

 

Het duurzaam bosbeheer en –gebruik. 

 
Dat alles in eerste instantie op Vlaams niveau. Maar ook is er interesse naar een antwoord op 
deze vragen voor enkele belangrijke strata. Zoals de tien bostypegroepen volgens Cornelis 

et al.

 

(2007) (deze opdeling leidt tot een betere ecologische interpretatie van de resultaten), de be-
langrijkste eigenaarcategorieën (zo kan het ANB op grote schaal de effecten van het beheer in 
de openbare en privé-bossen met elkaar te vergelijken), de bestandstypes en de homogene be-
standen van de belangrijkste boomsoorten (voor een bosbouwkundige interpretatie van de ge-
gevens). Zowel voor de gegevensverwerking als de interpretatie is het dus van belang dat we 
aan elk steekproefpunt enkele attribuutwaarden kunnen toekennen. 
 
Voor elk van de zes prioritaire vragen bespreken we nu systematisch waarom deze informatie-
behoefte leeft (‘ware informatienood’) en hoe ze - daarop aansluitend - geformuleerd wordt.  
Hierbij zullen we geregeld verwijzen naar de beheervisie van de toenmalige Afdeling Bos & 
Groen (Buysse 

et al.

, 2001). Deze beheervisie moet volgens de auteurs in de eerste plaats een 

werkdocument  vormen  voor  het  ANB.  Maar  de  inhoud ervan moet ook bepalend zijn voor het 
Vlaamse bosbeleid van de komende jaren en een leidraad vormen voor alle beheerders van bos 
in Vlaanderen, inclusief particuliere privé-eigenaars. Daarom zullen we de doelstellingen die in 
de beheervisie geformuleerd worden telkens formuleren op een algemeen Vlaams niveau, we-
tende dat ze in eerste instantie geformuleerd zijn voor het beheer van de gewestbossen. 
Ook halen we de Criteria Duurzaam Bosbeheer aan (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 
2003). Deze criteria vormen een evaluatie-instrument om het praktische multifunctionele bos-
beheer te toetsen op duurzaamheid. Dat wil zeggen dat het bosbeheer pas in overeenstemming 
met de criteria duurzaam bosbeheer wordt beschouwd, wanneer de beheerder van het bos kan 
aantonen dat aan de indicatoren is tegemoetkomen. Art. 3 van het besluit van de Vlaamse rege-
ring vermeldt dat ‘het beheer van de openbare bossen en van de bossen gelegen in het VEN 
moet gebeuren met naleving van de criteria voor duurzaam bosbeheer.’ Het bosbeheerplan (zie 
§ 1.4.3) is hierbij het belangrijkste instrument voor de bosbeheerder om dat aan te tonen. Bij-
gevolg is het bosbeheerplan ook het eerste en belangrijkste instrument om de implementatie 
van de Criteria Duurzaam Bosbeheer te evalueren. Dat zorgt ervoor dat we de VBI slechts in 
enkele gevallen kunnen aanwenden voor de evaluatie van de implementatie op Vlaams niveau 
van de Criteria Duurzaam Bosbeheer.  

1.2.1.1

 

Toestand en evolutie van de karakteristieken van het bosare-
aal 

In 1999 heeft een aanpassing aan het Vlaamse Bosdecreet uit 1990 het principe van de ontbos-
singstop ingevoerd. 
In Art. 90 § 2 vinden we daarover terug: 
 

Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal, 

1° wordt door de houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing 

compensatie gegeven voor de in § 1 bedoelde ontbossing; 

2° wordt door de houder van de verkavelingsvergunning compensatie gegeven voor 

de beboste delen van de verkaveling waarvoor de verkavelingsvergunning wordt 
aangevraagd na de inwerkstelling van dit decreet. 

Daarenboven is in 1997 in het RSV vastgelegd dat tussen 1994 en 2007 10.000 ha bos moet 
bijkomen in Vlaanderen. 
 
Het opvolgen van het bosareaal is in de eerste plaats een taak voor de Vlaamse boskartering 
(die bovendien het steekproefkader vormt voor de VBI, zie § 1.4.1). Het voordeel van de 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 35 

 

Vlaamse boskartering is dat we op nauwkeurige manier de bosoppervlakte kunnen schatten. 
Twee nadelen zijn echter: 

 

Dat we geen 

controle op het terrein

 hebben (fouten of veroudering van de boskarte-

ring). 

 

Dat we de polygonen slechts in beperkte mate kunnen karakteriseren. 

 
Met de VBI kunnen we hier op inspelen. In het bijzonder voor het tweede aspect (karakterise-
ren) zijn de resultaten van de VBI heel bruikbaar. Zo kunnen we niet enkel het complete Vlaam-
se bosareaal opvolgen, maar ook de oppervlaktes die aan bepaalde karakteristieken voldoen: 
bv. minimaal bestandsvolume, een bepaalde score voor structuurdiversiteit, bosvegetatietype, 
boomsoortensamenstelling, vegetatierijkdom, ... 

1.2.1.2

 

Toestand en evolutie van de boomsoortensamenstelling 

Het ANB streeft naar een hoger aandeel inheemse loofboomsoorten. In het bijzonder ligt de fo-
cus op het omvormen van de homogene Kempische dennenbossen en het terugdringen van de 
Amerikaanse vogelkers. Hierbij gaat aandacht uit naar het hoge aandeel van Amerikaanse vo-
gelkers (en andere exoten) in de verjonging. 
 
Zo vinden we in de beheervisie van het ANB (Buysse 

et al.

, 2001) terug dat: 

“Niet-inheemse natuurlijke verjonging: In meer dan de helft van alle geïnventariseerde 
bossen is verjonging aanwezig die er vaak op een natuurlijke wijze is gekomen. Opmer-
kelijk is echter dat het grootste deel van deze verjonging bestaat uit soorten die in 
Vlaanderen van nature niet voorkomen. In meer dan een kwart van ons bosareaal werd 
verjonging van Amerikaanse vogelkers vastgesteld en in 8 % van de bossen verjonging 
van Amerikaanse eik.” 

 
In dezelfde beheervisie worden duidelijke engagementen geformuleerd m.b.t. het opdrijven van 
het aandeel inheemse en/of autochtone boomsoorten. Hier worden ook enkele streefcijfers 
vooropgesteld: 
 
In de openbare bossen zullen in de komende jaren belangrijke inspanningen worden geleverd 
om het aandeel aan inheemse loofbomen te verhogen. De homogene bestanden van exoten zul-
len op termijn omgevormd worden tot ongelijkjarige en gemengde bestanden waarbij minstens 
30 % van het grondvlak wordt ingenomen door inheemse loofbomen.  
 
Het aandeel exoten zal in de openbare bossen systematisch worden teruggebracht. Op lange 
termijn dient gestreefd te worden naar 80 % inheemse boomsoorten. Hiertoe zullen deze soor-
ten zowel bij dunningen als bij verjonging van bestanden bevoordeeld worden. 
 
Waar mogelijk wordt maximaal met natuurlijke verjonging gewerkt. 
 
Van bepaalde zeldzamere boom- en struiksoorten zullen in de openbare bossen enkel nog aan-
plantingen gebeuren met plantsoen van lokale autochtone herkomst. De courant aangeplante 
bosbomen dienen afkomstig te zijn van erkende zaadbestanden zonder dat deze evenwel au-
tochtoon moeten zijn. 
 
In de Criteria Duurzaam Bosbeheer (Vlaamse Regering, 2003) wordt vermeld dat: 
 

background image

 

36 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Indicator 5.2.1: Ten minste 20 % van de totale oppervlakte van het bos moet bestaan uit of in 
omvorming zijn naar gemengde bestanden

1

 op basis van inheemse en standplaatsgeschikte 

boomsoorten binnen een bosbouwtechnische verantwoorde termijn. 
 
M.b.t. de omvorming van de Kempische dennenbossen worden in de beheervisie van het ANB 
(Buysse 

et al.

, 2001) specifieke beheermaatregelen naar voor geschoven: 

“De beheervisie streeft op middellange tot lange termijn naar gemengde, ongelijkjarige en 
ongelijkvormige bossen op basis van inheemse boomsoorten. Vooropgestelde beheermaat-
regelen zijn: 

 

Controleren van ongewenste concurrentiekrachtige soorten, in het bijzonder Amerikaan-
se vogelkers en Amerikaanse eik. 

 

Hoogdunning: selectieve en variabele hoogdunning is een geschikte beheeraanpak in 
een dennenbos. Waar mogelijk de beste exemplaren vrijstellen en sterker dunnen rond 
bijvoorbeeld een zeldzame loofboom. 

 

Verjonging: als de beheerder slaagt in het bestrijden van de agressieve exoten in zijn 
bos en door selectieve hoogdunning de structuur van de bovenetage verbetert, komt op 
de bosbodem ruimte vrij voor verjonging van inheemse boomsoorten. Natuurlijke ver-
jonging van inheemse loofbomen kan spontaan onder een dennenscherm gebeuren … 

 

Wildbescherming: indien de beheerder een rijk gestructureerd, ongelijkjarig en ge-
mengd bos laat ontwikkelen, zal enerzijds de wilddruk op de verjonging afnemen en an-
derzijds zullen de aanvoer van zaden en het aantal geschikte kiemsituaties voor loof-
boomsoorten toenemen en constant groot zijn. De kans op overleving voor verjonging 
van loofbomen zal zeker toenemen.” 

 
In de Criteria Duurzaam Bosbeheer (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003) vinden we 
doelstellingen terug voor alle homogene aanplantingen van populier, fijnspar en andere niet-
uitheemse boomsoorten:  
 
Indicator 5.2.2: De bosbeheerder beschikt over een omvormingsplan voor alle homogene aan-
plantingen van populier, fijnspar en andere niet-inheemse boomsoorten. 
Norm populier: er wordt een onderetage opgebouwd en behouden van verschillende inheemse 
houtige gewassen. Die mag als hakhout worden beheerder met populier als bovenstaanders 
(soort middelhout). 
Norm andere homogene niet-inheemse bestanden: er wordt gestreefd naar gemengde bestan-
den waarvan 30 % van de bedekkingsgraad of grondvlak wordt ingenomen door inheemse loof-
bomen. In een eerste fase mogen in die 30 % ook onderstandige bomen en de onderetage 
meegerekend worden. Het is echter de bedoeling na verloop van tijd te komen tot 30 % in-
heemse loofbomen in de opperetage. 

1.2.1.3

 

Toestand en evolutie in de bestandsopbouw 

M.b.t. de bestandsopbouw streeft het ANB naar meer structuurdiverse bossen met meer open 
plekken (licht in bos). 
In de beheervisie (Buysse 

et al.

, 2001) vinden we daarover volgende elementen terug: 

 

Leeftijds- en soortenverdeling: Vlaamse bossen bestaan voor 2/3 uit jonge bosbestan-
den met één dominante boomsoort. Grove den, Corsicaanse den en populier vormen in 
deze homogene bossen de belangrijkste soorten. In 72 % van ons bosareaal zijn de 
bomen jonger dan 60 jaar. 

                                               

1

 Norm voor inheemse bestanden: inheemse boomsoorten dienen minstens 90 % van het grondvlak van het bestand in te 

nemen. Norm voor gemengde bestanden: bestanden zijn gemengd zodra er minstens twee verschillende boomsoorten 
aanwezig zijn en de hoofdboomsoort 80 % of minder van het bestandsgrondvlak inneemt, of 80 % van het totale stamtal 
voor bestanden jonger dan 30 jaar. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 37 

 

 

Licht in bos: Het aandeel open ruimte in het Vlaamse bosareaal bedraagt minder dan 2 
%. Veel bossen zijn zeer gesloten en donker. Dit fenomeen is het meest uitgesproken in 
naaldbossen van privé-boseigenaars. Aan de basis daarvan ligt een gebrekkige bos-
bouwkennis en de foutieve redenering: ‘meer bomen = meer hout’. De bosinventarisatie 
toont aan dat de staande houtvoorraad in dergelijke privé-bossen nauwelijks hoger is 
dan in de ijlere bossen beheerd door de afdeling Bos & Groen. 

 
Als antwoord op deze knelpunten stelt het ANB beheermaatregelen en beheerdoelstellingen 
voorop gebaseerd op natuurlijke processen. 
 
Dunnen en exploiteren 
 
Via selectieve en variabele hoogdunningen wordt een structuurrijk en gediversifieerd bosbeeld 
nagestreefd met een belangrijk aandeel inheemse loofbomen en met een hoog volume kwali-
teitshout. Hierbij zal maximaal ingespeeld worden op lokale opportuniteiten die voortvloeien uit 
natuurlijke processen. 
 
Licht in het bos 
 
In de openbare bossen zal op termijn 5 à 15% ingenomen worden door open plekken die elk tot 
maximaal drie ha groot zijn. 
Hierbij zal gebruik gemaakt worden van bestaande openingen (windvalgaten, onverharde bos-
wegen, …) en maximaal worden ingespeeld op aanwezige potenties (aanwezigheid van interes-
sante gradiënten en zeldzame vegetaties). 
In het kader van een gericht bosrand- en bospadenbeheer zal de oppervlakte struweel in de 
openbare bossen de komende jaren toenemen.  

1.2.1.4

 

Toestand en evolutie van enkele indicatoren voor biodiversiteit 

Biodiversiteit vormt ook voor het ANB (meer en meer) een belangrijke bekommernis. 
In § 2.3.4 lichten we concreet toe hoe we het containerbegrip biodiversiteit praktijkgericht ver-
talen om een opvolging a.d.h.v. de tweede VBI mogelijk te maken. Hier bespreken we enkele 
afzonderlijke aspecten waarop gefocust wordt door het ANB. 
 
Zoals in § 1.2.1.3 reeds aangehaald streeft het ANB naar meer structuurdiverse bossen. Deze 
verhoging van de structuurdiversiteit is een belangrijke randvoorwaarde om de soortendiversi-
teit te verhogen. 
De beheervisie focust ook op dood hout en oude bomen als structuurdragers voor biodiversiteit: 

Dood hout: In Vlaanderen komt slechts gemiddeld 3 m³ staand dood hout per ha voor, ter-
wijl dit in dichte homogene naaldbossen kan oplopen tot 4.5 m³/ha

2

. Het grootste deel van 

de aanwezige dode bomen hebben kleine afmetingen waardoor ook de verdeling van het 
dood hout verre van optimaal is 
Het aandeel dood hout, zowel staand als liggend, wordt in alle openbare bossen systematisch 
opgevoerd tot minimum 4 % van het totale volume. Door een gericht beheer zal gezorgd 
worden voor een continu aanbod van dood hout van verschillende diktes en verschillende 
boomsoorten. 
Een aantal bomen worden voorbehouden om uit te groeien tot oude bomen. Deze kunnen:  

 

Ofwel verspreid voorkomen in het bestand. 

 

Ofwel gegroepeerd voorkomen onder de vorm van kleine eilandjes in de bestanden. 

 
In de Criteria Duurzaam Bosbeheer (Vlaamse Regering, 2003) wordt vermeld dat: 

                                               

2

 Opmerking: de gemiddelde bestandsvoorraad bedraagt 222m³/ha. 

background image

 

38 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 
Indicator 5.3.3: De bosbeheerder streeft naar het verkrijgen van meer dood hout in het bos. … 
Richtwaarde: 4 % van het totale bestandsvolume (staand, liggend, spreiding in alle omtrekklas-
sen > 30 cm) of een verdubbeling van de hoeveelheid dood hout binnen de planperiode. 

1.2.1.5

 

Toestand en evolutie van de bosvegetatie onder invloed van 
milieuveranderingen 

De kwaliteit van de bossen wordt niet enkel beïnvloed door een algemeen bosbeleid en specifie-
ke beheermaatregelen (menselijke impact) maar ook daar abiotische factoren. Meer bepaald in 
Vlaanderen zijn dat vooral de verzuring en vermesting. Deze kunnen een ernstige hypotheek 
leggen op de inspanningen die geleverd worden om de kwaliteit van de bossen te verbeteren en 
daarom is het belangrijk de impact van de milieuveranderingen op de kwaliteit van de Vlaamse 
bossen op te volgen. 
 
In de beheervisie van het ANB wordt hier ook aandacht aan besteed: 
Dalende milieukwaliteit: Uit de vegetatieopnames, uitgevoerd in het kader van de eerste bosin-
ventarisatie, blijkt dat de samenstelling van de kruidlaag op veel plaatsen beïnvloed is door het 
inwaaien van meststoffen en door de atmosferische depositie van verzurende elementen. Door 
zo veel mogelijk te werken met inheemse en standplaatsgeschikte boomsoorten wordt getracht 
stabiele bosecosystemen te ontwikkelen die maximaal weerstand kunnen bieden aan dergelijke 
externe verstoringsfactoren. 

1.2.1.6

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en -gebruik 

Multifunctioneel bosbeheer is sinds het begin van de jaren ’90 meer en meer het uitgangspunt 
geworden bij de visievorming over het beheer van de openbare Vlaamse bossen. En dit niet en-
kel in de openbare maar ook in de privé-bossen, o.a. door de systematische oprichting van re-
gionale bosgroepen. 
 
In het Vlaamse Bosdecreet uit 1990 wordt in Art. 5 van Hoofdstuk II ‘De Bosfuncties’ de basis 
gelegd voor het streven naar multifunctioneel bosbeheer. 

Het bos kan gelijktijdig verschillende functies vervullen, onder meer economische, so-
ciale, educatieve, wetenschappelijke, ecologische [organismebeschermende] evenals 
milieubeschermende functies. 

 
In het kader van de VBI zijn vooral de opvolging van de economische en ecologische functies 
van belang. We lichten deze apart toe. 
 
 

Economische functie 

 
In Art. 9 § 1 van het Vlaamse Bosdecreet wordt betreffende economische functie van het bos 
vermeld dat: 
Het Bosbeheer is belast met het vastleggen van het na te streven voorraadpeil en van het jaar-
lijks gemiddeld kapquantum in alle openbare bossen en dit in overeenstemming met de lange-
termijnplanning bepaald in artikel 6.  
 
Dat motiveert heel duidelijk waarom meer betrouwbare gegevens rond gemiddelde aanwas in 
Vlaamse (openbare maar ook privé-)bossen een heel belangrijke vraag is die met de tweede 
VBI dient beantwoord te worden. 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 39 

 

Naast productiegegevens leeft ook de vraag naar informatie over de kwaliteit van het bijge-
groeide hout. De inkomsten die voortkomen uit de houtverkoop en projecten zoals het SBO-
project ‘SimForTree’

3

 (UA - UGent - KULeuven) en ‘Boom- en houtkwaliteitsonderzoek voor de 

Vlaamse bos-houtkolom’ (INBO - UGent) motiveren duidelijk deze vraag vanuit het ANB. 
 
 

Ecologische functie 

 
Art. 18 van het Vlaamse Bosdecreet geeft duiding bij de ecologische functie van het bos: 
De zorg voor het behoud, de ontwikkeling of het herstel van de ecologische functie van de bos-
sen bestaat onder meer uit: 

1.

 

Het bevorderen van de autochtone boom- of struiksoorten. 

2.

 

Het stimuleren van uit zichzelf functionerende processen. 

3.

 

Het bevorderen van een gevarieerde bosstructuur door onder meer ongelijkjarigheid en 
ongelijkvormigheid na te streven en te streven naar een voldoende aanwezigheid van 
oude bossen en dood hout. 

4.

 

Een gepast beheer van alle natuurelementen en van alle landschapsecologische en cul-
tuurhistorisch waardevolle elementen. 

5.

 

Het beheer ten behoeve van het behoud, de ontwikkeling of herstel van de biologische 
diversiteit, van populaties van zeldzame soorten of ondersoorten en ten behoeve van de 
instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van habitats of deels natuurlijke ecosys-
temen. 

6.

 

Het behoud of herstel van de natuurlijke waterhuishouding. 

7.

 

Het beheer gericht op het tegengaan van alle nadelige externe beïnvloeding. 

 
In dit artikel vinden we dus engagementen terug m.b.t. de ecologische functie van het bosbe-
heer.  
Relevant voor de tweede VBI is: 

 

Het bevorderen van een gevarieerde bosstructuur … 

Æ

 bestandsopbouw 

 

Behoud, ontwikkeling of herstel van biologische diversiteit …

Æ

 dood hout, vegetatie, … 

 
 

Milieubeschermende functie 

 
Bossen vervullen versschillende milieubeschermende functies, zoals erosiebestrijding, filteren 
van fijn stof, … Relevant voor de VBI is dat bossen door opslag van koolstof (zowel in de houtige 
biomassa als in de bosbodem) kunnen bijdragen tot het temperen van de stijgende atmosferi-
sche CO2-concentraties. 

1.2.2

 

Informatiebehoefte van internationale bos)beleidsinstanties 

Ten aanzien van enkele internationale instellingen moet verplichtend gerapporteerd worden 
over de oppervlakte en de toestand van het bos in België. Dat impliceert dat het Vlaams, Waals 
en Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor deze vragen gezamenlijk rapporteren. De laatste jaren 
is de focus hierbij verbreed tot enkele nieuwe thema’s zoals duurzaam bosbeheer, biodiversiteit 
en koolstofopslag in bossen (zie discussienota ‘Koolstofopslag in bossen’).  
Om de methodieken voor opmeting en de rapportage van de reeds bestaande en nieuwe the-
ma’s te harmoniseren, is in 2003 de COST-Actie E43 van start gegaan. De titel van deze actie is 
                                               

3

 De volledige titel van dit Strategisch Basisonderzoek project (2007 – 2010, ondersteund door IWT-Vlaanderen) luidt ‘

decision support tool for sustainable forest management based on ecophysiological analysis and simulation of the variability 
in tree development

’. Het doel van het project is het ontwikkelen van een hulpinstrument, gebaseerd op een volledig pro-

cesgestuurd model, dat de groei van bosbomen in Vlaanderen op een realistische wijze simuleert (SimForTree). Deze simu-
lator wordt in de eerste plaats gecreëerd om zowel socio-economische als –ecologische gevolgen van veranderende milieu-
omstandigheden en specifieke beleidskeuzes in te kunnen schatten. 

background image

 

40 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

Harmonisation of national forest inventories in Europe: Techniques for common reporting

’. De 

hoofddoelstelling is de verbetering en harmonisatie van de bestaande NFI’s in Europa. Bijko-
mende doelstelling is het ondersteunen van nieuwe inventarisatie-initiatieven zodat deze kun-
nen voldoen aan de nationale, Europese en mondiale vereisten betreffende het aanleveren van 
up-to-date, geharmoniseerde en transparante bosbouwkundige informatie. Dat alles lichten we 
verder toe in Bijlage ‘COST Actie E 43’. 
Het schema in Figuur 5 schetst kort de evoluties binnen de internationale beleidscontext van de 
afgelopen twintig jaar. Ook geeft het een inzicht in de samenhang tussen de internationale be-
leidsvragen en de relaties tussen de verschillende conventies, verdragen en verplichtingen en 
hun invloed op het Vlaamse bosbeleid. In de discussienota ‘Beschrijving van de informatienood’ 
gaan we hier dieper op in. 
 

1987

Mondiaal

Europees

Vlaams

Bründtlandtcommissie

Sustainable development

1990

1

e

 MCPFE

- Stop bosdegradatie
- Monitoring bosvitaliteit

1992

UNCED

:

- Rio Declaration: principles of sustinable development
- Framework Convention on Climate Change 
- Convention Biological Diversity
- Hfdstuk 11 Agenda 21: strijd tegen ontbossing
- Statement on Forest Principles

1997

Kyoto-protocol

Art. 3.3: Land use, land use change and forestry

2000

Temperate and Boreal Forest Resource Assessment

:

- Section 1: General forest resource information
- Section 2:  Biological diversity and protection status
- Section 3: Wood supply and carbon sequestration functions
- Section 4: Forest condition
- Section 5: Protective and socio-economic functions

Authenticiteitsindex

- Bestandsstructuur
- Houtige vegetatie
- Kruidvegetatie
- Dood hout

2001

Vlaamse Bosdecreet

- Betreft openbare en privé-bossen
- Definitie bos
- Behoud en bescherming bosareaal
- Multifunctioneel bosbeheer
- Bosreservaten
- Beheerplan
- Bosinventarisatie Vlaams Gewest

1993

Lange Termijnplanning Bosbouw

- Areaaluitbreiding
- Duurzaam en natuurgetrouw bosbeheer
- Verhoogde aandacht vanuit beleid

BEAR

- Biodiversity Evaluation Tools
- Forest Types for Biodiversity Assessment 
- Drie schaalniveaus: regionaal, landschap, bestand
- Key factors: structuur, samenstelling, functie

2

e

 MCPFE

- Duurzaam bosbeheer
- Biodiversiteit
- Omvorming bossen i.f.v. global 
   change

3

e

 MCPFE

-

 Multifunctioneel bosbeheer

- Nood aan C & I

4

e

 MCPFE

Improved Pan-european indicators 
for sustainable forest management

2003

Pro Silva Europa

Bosfuncties:
- Behoud van ecosystemen
- Bescherming boden en klimaat
- Productie hout e.a. bosproducten
- Recreatie, leefbaarheid 
   en culturele aspecten

1989

Pro Silva Vl’eren

9 basisprincipes natuurgerichte bosbouw

Criteria Duurzaam Bosbeheer:

 

- Juridisch kader en relevante overeenkomsten
- Sociale en culturele functies
- Productieve en economische functies
- Behoud en bescherming van het milieu
- Behoud en bevordering van de biodiversiteit
- Planmatig en controleerbaar beheer

 

Figuur 5 

Schematische weergave van de verschillende internationale beleidsprocessen die een invloed hebben op het 
Vlaamse bosbeleid en die de informatienood t.a.v. de tweede VBI expliciteren. 

 
In de volgende paragrafen lijnen we duidelijk af welke rol de VBI kan vervullen in de internatio-
nale rapportering. Hierbij gaan we uit van de zes prioritaire vragen van het ANB omdat deze ook 
in het internationale kader terugkomen. 

1.2.2.1

 

Toestand en evolutie van de karakteristieken van het bosare-
aal 

Food and Agriculture Organization (FAO) 

In 2000 heeft de FAO het 

Temperate and Boreal Forest Resource Assesment

 (TBFRA) uitge-

bracht. Dat rapport is een bijdrage tot het 

Global Forest Resources Assesment 2000

 (GFRA), 

geleid door de FAO. Het was ontwikkeld om de informatienood van het pan-Europese proces 
voor duurzaam bosbeheer en zijn criteria en indicatoren in te vullen en heeft tot doel iedere 12 
jaar herhaald te worden. Het rapport bevat per land gegevens over praktisch alle aspecten van 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 41 

 

de bossen van Noord-Amerika, Europa, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan. De gegevens zijn 
aangeleverd door nationale correspondenten, aangepast aan de internationale definities en ge-
valideerd door ECE/FAO Geneve (United Nations Economic Commission for Europe, 2000). 
Om opvolging van deze gegevens mogelijk te maken, zullen ook in de toekomst gelijkaardige 
statistieken aangeleverd moeten worden. België (dus het Vlaams, Waals en Brussels Hoofdste-
delijk Gewest samen) moeten daartoe o.a. rapporteren over de bosoppervlaktes (met bebossing 
en ontbossing) met opsplitsing naar: 

 

Openbaar, privé en andere eigenaarcategorieën. 

 

Natuurlijk, halfnatuurlijk en plantage. 

 

United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCC) 

Vanuit de 

United Nations Framework Convention on Climate Change

 (UNFCC) wordt in het kader 

van het Kyoto-protocol gevraagd naar gegevens rond koolstofopslag in bossen en bosbodems. 
In Decision 13/CP.9 ‘Good practice guidance for land use, land-use change and forestry in the 
preparation of national greenhouse gas inventories under the Convention’ vinden we de richtlij-
nen voor de in te vullen tabellen terug die door de ondertekende lidstaten moeten opgevolgd 
worden (UNFCC, 2004). Specifiek voor bosbouw worden ook cijfers opgevraagd over de opper-
vlakte bos en de oppervlakte bebost of herbebost land. 
In het kader van de rapportering over koolstofopslag heeft België er zich toe verbonden om en-
kel te rapporteren over de toe- en afname van bosoppervlakte. 
 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe (MCPFE) 

De verbintenis om te rapporteren aan de 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in 

Europe

 (MCPFE) omvat de invulling van de Improved 

Pan-European Indicators for Sustainable 

Forest Management

 (MCPFE, 2002). In het document van de MCPFE wordt onderscheid gemaakt 

tussen kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren om het Europese bosbeleid vanuit de deelsta-
ten te evalueren.  
Indicator 1.1 ‘Bosoppervlakte’ vraagt naar: 

 

Oppervlakte bos en ander bebost landoppervlak, geclassificeerd naar bostype en de ge-
schiktheid voor houtproductie. 

 

Aandeel van bos en ander bebost landoppervlak in totale landoppervlak. 

 
De eerste vraag kunnen we mede invullen a.d.h.v. de attribuutwaarden die ingezameld worden 
tijdens het veldwerk van de VBI. 

1.2.2.2

 

Toestand en evolutie van de boomsoortensamenstelling 

Food and Agriculture Organization 

De FAO vraagt naar gegevens over de volumes van het staande hout en het aandeel van de 
verschillende boomsoorten hierin. 
 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe 

Indicator 4.1 focust op de boomsoortensamenstelling en indicator 4.4 kijkt naar het aandeel van 
geïntroduceerde boomsoorten. 

1.2.2.3

 

Toestand en evolutie in de bestandsopbouw 

Food and Agriculture Organization 

De FAO vraagt gegevens op over de leeftijdsverdeling van hooghoutbestanden die beschikbaar 
zijn voor houtexploitatie. 
 
 
 

background image

 

42 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe 

Indicator 1.3 kijkt naar de leeftijdsstructuur en diameterdistributie en indicator 4.2 kijkt naar de 
oppervlakte verjonging binnen gelijkjarige en ongelijkjarige bestanden. 

1.2.2.4

 

Toestand en evolutie indicatoren voor biodiversiteit 

Food and Agriculture Organization 

Onder de sectie ‘

Biological diversity and protection status

’ vraagt de FAO naar het aandeel van 

de verschillende bosgebieden onder een bepaald beschermingsstatuut. En men wil weten welke 
boomsoorten allemaal voorkomen. 
 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe 

Indicator 4.3 polst naar het aandeel van de verschillende natuurlijkheidsklassen en indicator 4.5 
vraagt naar gegevens over staand en liggend dood hout en dit voor de verschillende bostypes. 

1.2.2.5

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –
gebruik 

Food and Agriculture Organization 

De FAO vraagt op welk aandeel van de bossen beschikbaar is voor houtexploitatie. Ook is men 
geïnteresseerd in de totale staande houtvoorraad en de gemiddelde aanwas versus exploitatie. 
 

Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe 

Indicator 1.2 vraagt naar de totale houtvoorraad en indicator 1.4 naar de totale C-opslag. 
Indicator 3.1 vraagt naar de balans tussen netto jaarlijkse aanwas en jaarlijkse kappingen van 
hout in bos beschikbaar voor houtproductie. 

1.2.2.6

 

Opvolging Staat van Instandhouding Natura 2000 boshabitat-
types 

Vanaf 2007 moet iedere Europese lidstaat aan de Europese Commissie rapporteren over de 
Staat van Instandhouding van de Natura 2000 habitattypes. 
België moet dit doen voor drie regio’s met volgende bevoegdheidsverdeling: 

1.

 

Marien Atlantische regio 

Æ

 Federale Overheid 

2.

 

Atlantisch Belgische regio (ten noorden van Samber en Maas) 

Æ

 Vlaams Gewest 

3.

 

Continentaal Belgische regio (ten zuiden van Samber en Maas) 

Æ

 Waals Gewest 

 
Het ANB heeft toegezegd om de opvolging van de staat van instandhouding van Natura 2000 
boshabitattypes geheel of gedeeltelijk met de VBI uit te voeren. 
A.d.h.v. de criteria areaal, oppervlakte, typische soorten, structuur & functie en toekomstper-
spectief moet per habitattype geoordeeld worden of de SvIH ‘gunstig’, ‘ongunstig’ of ‘onbekend’ 
is. Om deze beoordeling mogelijk te maken zijn enkele aanpassingen nodig aan het ontwerp van 
de tweede VBI.

4

 

1.2.3

 

Bosbeheerders en -exploitanten 

Bij de doelgroep bosbeheer is het belangrijk onderscheid te maken tussen de beheerders van 
openbare en van privé-bossen. Het beheer van openbare bossen valt onder bevoegdheid van de 
Vlaamse Gemeenschap en voor deze bossen is door het ANB in 2001 een beheervisie ontwikkeld 
(Buysse 

et al.

, 2001). Daarnaast voert het ANB een doelgroepenbeleid naar de privé-

                                               

4

 Meer toelichting in de discussienota ‘Opvolging staat van instandhouding Natura 2000 Boshabitattypes’. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 43 

 

boseigenaars. Enerzijds door het verlenen van subsidies voor openstelling van bossen en voor 
het voeren van een duurzaam bosbeheer. Anderzijds door de ondersteuning van de bosgroepen. 
 
Een tweede actor binnen het Vlaamse bosbeheer zijn de exploitanten en de houtverwerkende 
bedrijven. Vanuit de industrie leeft de vraag naar gegevens rond volumes, kwaliteiten en diame-
ter- en leeftijddistributie van de economisch belangrijkste boomsoorten, in het bijzonder popu-
lier en grove den. 

1.2.3.1

 

Bosbeheer openbare bossen 

Het beheer van een openbaar bos valt in eerste instantie onder de bevoegdheid van de regiobe-
heerder tot wiens werkterrein het bos behoort. Voor hem/haar kan de VBI in eerste instantie 
dienen om een referentiekader te schetsen van de Vlaamse bossen. Dat geeft bosbeheerders de 
mogelijkheid om hun eigen bos te positioneren en een vergelijking te maken op basis van harde 
cijfers. 
 
Belangrijk is om met de tweede VBI hierop door te gaan. Aanwas is een interessant item. Daar-
naast zijn cijfers over enkele andere bestandskenmerken (boomsoortensamenstelling, grond-
vlak, bestandsstructuur) heel interessant om op te volgen, zeker naar beleidsevaluatie toe. In 
dit kader dienen de aanbevelingen vanuit het EDUBO-project (zie discussienota ‘Indices’ en § 
1.4.4 en § 3.4.3) bekeken te worden.  
In het kader van beheermonitoring is het interessant om een onderscheid te maken tussen be-
heerde en niet-beheerde bossen (zie volgende paragraaf). 

1.2.3.2

 

Bosbeheer privé-bossen 

Bij het beheer van de privé-bossen kunnen we onderscheid maken tussen twee instanties: 

1.

 

De ambtenaren privé-bos en 

2.

 

De bosgroepen de bosgroepcoördinatoren 

 
Voor ambtenaren privé-bos en bosgroepcoördinatoren is het nuttig te kijken naar verschillen 
tussen openbare en privé-bossen. In het bijzonder is er interesse in indicatoren die de invloed 
van de bosgroepen op de samenstelling en structuur van privé-bossen in kaart brengen. Dat 
biedt de mogelijkheid om het beleid te evalueren betreffende: 

 

Omvormingen van privé-bossen: boomsoortensamenstelling (populier, naaldhout en 
Amerikaanse vogelkers) en bestandsstructuur (homogeen versus heterogeen, gelijkjarig 
versus ongelijkjarig, … 

 

Aanwezigheid dood hout 

 
Merk op dat het nodig is de cijfers omzichtig te interpreteren aangezien de hoeveelheden dood 
hout en de houtvoorraad bij sommige privé-bossen vermoedelijk eerst zullen afnemen door 
dunningen, omvormingen en andere exploitaties. Hieruit mogen geen voorbarige conclusies ge-
trokken worden betreffende het beleid van de bosgroepen. 
 
De interesse van privé-bos eigenaars voor de ruime waaier aan resultaten uit de VBI is beperkt. 
Dat neemt niet weg dat een goede communicatie vooraf en een terugkoppeling achteraf heel 
belangrijk aangezien ca. 63 % van de steekproefpunten uit de eerste VBI in privé-bos gelegen 
was. Een doelgroepgerichte communicatie kan helpen om het draagvlak voor de metingen op 
privé-terrein en de interesse in het Vlaamse bosbeheer te verhogen. Een belangrijke rol is hier-
bij weggelegd voor de bosgroepen. 

background image

 

44 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

1.2.3.3

 

Bosexploitatie en houtverwerkende industrie 

Mensen uit de bosexploitatie en de houtverwerkende industrie zijn voornamelijk geïnteresseerd 
in gegevens rond boomsoortensamenstelling, houtvolumes, houtkwaliteit en diameter- en leef-
tijdsdistributie. Deze informatie is nodig om prognoses en simulaties te kunnen maken omtrent 
toekomstige houtvolumes en de technische kwaliteiten van deze volumes.  
Specifiek vanuit de populierverwerkende nijverheid leeft de vraag naar nauwkeuriger leeftijds-
bepalingen omdat de huidige leeftijdsintervallen van 20 jaar te groot zijn om nauwkeurige prog-
noses te kunnen maken. Deze nauwkeurige leeftijdsschattingen zijn vooral van belang in de 
laagste leeftijdscategorie (1 – 20 jaar). Ook het onderscheid tussen Inter- en Euramerikaanse 
populieren en de mate van aantasting door roest (en vitaliteit in het algemeen) zijn voor hen 
interessante variabelen om op te meten in populierenbestanden. Op deze vragen zal de tweede 
VBI echter niet kunnen inspelen. Enerzijds omdat dit een aanzienlijke extra meetinspanning en 
technische kennis van de veldwerkers vereist. Anderzijds is de temporele resolutie van de VBI 
(tien jaar) te klein om in te kunnen spelen op de korte termijn vragen (< vijf jaar) van de popu-
lierverwerkende nijverheid 

1.2.4

 

Wetenschappelijke onderzoekswereld 

1.2.4.1

 

Algemeen 

Bij de derde en laatste doelgroep (bos- en natuuronderzoek) gaat vooral interesse uit naar de 
bruikbaarheid van de VBI in het eigen onderzoeksveld en naar een algemeen referentiekader 
dat de toestand van de Vlaamse bossen schetst zodat doorheen de tijd een betrouwbare analyse 
van eventuele veranderingen mogelijk is (boomsoortensamenstelling, bestandsopbouw, aanwas, 
biodiversiteit, vegetatie, verjonging). De algemene teneur is dat de VBI zich moet focussen op 
enerzijds de algemene bosbouwvariabelen, anderzijds de biodiversiteit en tot slot de verande-
ringen in de Vlaamse bossen onder invloed van het beleid en milieu- en/of klimaatveranderin-
gen.  
Vanuit het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, de Universiteit Gent en de Universiteit Leu-
ven zijn verschillende vragen geformuleerd rond wetenschappelijk onderzoek in bossen waartoe 
de VBI een bijdrage kan leveren. Een bijdrage die zich kenmerkt door: 

 

Een ruimtelijke dimensie: doordat het meten gebeurt a.d.h.v. een representatieve 
steekproef van de belangrijkste Vlaamse bostypegroepenn, biedt het de mogelijkheid 
om op niveau Vlaanderen een referentiekader te vormen voor bepaalde onderzoeksvra-
gen. 

 

Een temporele dimensie: het intrinsieke kenmerk van een meetnet is dat de metingen 
herhaald worden doorheen de tijd. Voor de VBI zou de cyclus tien jaar moeten bedragen 
(Vlaamse Regering, 1990; Waterinckx & Roelandt, 2001). Hierdoor kan men op niveau 
Vlaanderen een unieke en representatieve tijdsreeks opbouwen die de toestand van de 
Vlaamse bossen opvolgt en toelaat trends op een betrouwbare manier te detecteren. De 
tijdsreeks van diverse variabelen is een veel gevraagd onderzoeksobject. 

 
Binnen deze algemene context bespreken we volgende onderzoeksthema’s: 

1.

 

Standplaatsonderzoek 

2.

 

Verjonging 

3.

 

Biodiversiteit 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 45 

 

                                              

1.2.4.2

 

Standplaatsonderzoek 

1.2.4.2.1

 

Bosvegetatie 

Vegetatie maakt een wezenlijk deel uit van de standplaats. Het systematisch inventariseren van 
de bosvegetatie is belangrijk omwille van volgende aspecten: 

 

Bepalen van de bostypegroep (volgens Cornelis 

et al.

, 2007). 

 

Indicator voor biodiversiteit (soosrtenrijkdom en abundantie inheemse/uitheemse soor-
ten).  

 

Berekening Authenticiteitsindex

5

 (Van den Meersschaut 

et al.

, 2001). 

 

Indicator voor veranderingen in het bosmilieu (a.d.h.v. Ellenberg-indicatorsysteem). 

 

Bepaling van de staat van instandhouding van de Natura 2000 boshabitattypes. 

 

Schatten van de abundantie van de verjonging van de verschillende boomsoorten. 

 

Het verder verfijnen van het onderzoek rond de voorgeschiedenis van de standplaats 
(zie volgende punt). 

1.2.4.2.2

 

Voorgeschiedenis standplaats 

In 2001 werd door De Keersmaeker 

et al.

 een VLINA-studie afgewerkt met als titel ‘Ecosys-

teemvisie bos Vlaanderen: ruimtelijke uitwerking van de natuurlijke bostypes op basis van bo-
demgroeperingseenheden en historische boskaarten’. De wetenschappelijke doelstellingen van 
het project waren: 

 

De evolutie van de bebossing nagaan in Vlaanderen tussen 1775 en 2000. 

 

Bepalen van Potentieel Natuurlijke Vegetaties (PNV’s) voor Vlaanderen. 

 

De relatie tussen PNV en standplaats uitwerken in een PNV-kaart. 

 

De historische en actuele beboste oppervlakte bepalen op PNV-standplaatsen. 

 

De leeftijd van het bos bepalen op de uiteenlopende PNV-standplaatsen. 

 
De relaties tussen de bodemkaart en de verschillende PNV’s werden uitgewerkt op basis van 
puntwaarnemingen, met name opnamegegevens van de basisinventarisatie in de bosreservaten 
en van de VBI.  De dataset omvatte in totaal 2000 punten. 
 
Om deze dataset verder aan te vullen is het nuttig om binnen de tweede VBI vegetatieopnames 
uit te voeren in de steekproefpunten waar dit nog niet gebeurd is. De verkregen informatie is 
relevant omwille van drie redenen: 

 

Historisch landgebruik is een gedeeltelijke verklaring voor de huidige toestand van de 
bossen: opbouw, vegetatie, boomsoorten. 

 

De potenties voor omvorming van naaldhout- naar loofhoutbestanden kunnen achter-
haald worden en m.b.v. GIS in kaart gebracht worden. 

 

Tot slot kunnen de wetenschappelijke doelstellingen van het project (zoals hierboven 
beschreven) verder uitgewerkt worden. 

1.2.4.3

 

Verjonging 

Cijfers over verjonging geven inzicht in de mogelijkheden tot welslagen van omvormingsbeheer 
en in de evolutie van de NV van diverse boomsoorten in de Vlaamse bossen.  
Ook is het mogelijk op Vlaams niveau de impact van vraatschade op de vegetatie en de verjon-
ging na te gaan zodat een inschatting van de reewilddruk mogelijk wordt. Wegens de complexi-
teit van het beoordelen van vraatschade en de moeilijkheid om op basis van dergelijke gege-

 

5

 De Authenticitieitsindex is een scoresysteem gebaseerd op vier grote pijlers: (1) bestandsstructuur; (2) houtige vegetatie; 

(3) kruidvegetatie; (4) dood hout. De index laat toe om op objectieve manier de toestand te quoteren van een aantal be-
standskenmerken die belangrijke invloed hebben op de biodiversiteit / natuurlijkheid van een bos: boomsoortensamenstel-
ling, gelaagdheid, ontwikkeling van de kruidvegetatie, … 

background image

 

46 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

vens relevante informatie af te leveren, wordt vraatschade aan verjonging niet beschouwd in de 
tweede VBI

6

1.2.4.4

 

Biodiversiteit 

Ook vanuit de onderzoekswereld is sinds begin jaren ’90 het onderzoek naar biodiversiteit in 
bossen toegenomen. Hiervoor verwijzen we naar de discussienota ‘Beschrijving van de informa-
tienood’.  

1.3

 

Analyse van de wetenschappelijke basis 

1.3.1

 

Element 1: Kennisopbouw 

Tijdens het ontwerp van de tweede VBI is rond heel wat thema’s kennis opgebouwd. De weer-
slag hiervan vindt u tering in deze handleiding, in het bijzonder in de discussienota’s en de bij-
lagen. 
We lichten nu kort enkele opvallende aspecten toe. 
 
Biodiversiteit is voor het Vlaamse bosbeleid en –beheer de laatste jaren meer en meer een 

hot 

issue

 geworden. De vraag was wat voor het ANB de ‘ware informatienood’ is voor het thema 

biodiversiteit en in hoeverre we dit met de VBI kwantitatief kunnen opvolgen. 
Een  eerste inzicht is dat we niet de intentie mogen hebben om met een NFI ‘biodiversiteit te 
meten’. Wel is het in zekere mate mogelijk om de evolutie van biodiversiteitsbevorderende én 
beheergevoelige structuren en elementen op te volgen. De VBI is een beleidsondersteunend 
meetnet dat moet opvolgen in hoeverre het bosbeleid er in slaagt om de kansen voor een hoge-
re biodiversiteit te creëren. Met het meetnet kunnen we echter niet de effectieve biodiversiteits-
toe- of afname meten. Dergelijke vraagstelling behoort toe aan een onderzoeksgericht meetnet 
(cfr. ICP-forests). 
Een tweede inzicht is dat we de beleidsvraag naar informatie rond natuurlijkheid en biodiversi-
teit in de Vlaamse bossen kunnen opsplitsen in een viertal facetten

7

1.

 

Diversiteit aan houtachtige en kruidachtige vegetatie 

2.

 

Natuurlijkheid van de houtachtige en kruidachtige vegetatie 

3.

 

Structuurrijkdom van de bestanden 

4.

 

Aanwezigheid van elementen die biodiversiteit bevorderen 

Op basis van deze twee inzichten zijn we gekomen tot een selectie van meetvariabelen (zie § 
2.4). 
Bij dit alles hebben we in grote mate gesteund op: 

 

Het tweedimensionale model van Noss (1990). Hij onderscheidt enerzijds drie primaire 
ecosysteemcomponenten en anderzijds vier schaalniveaus. 

 

Een paper van Noss uit 1998: ‘

Assessing and monitoring forest biodiversity: a suggested 

framework and indicators’

 

De adviezen uit het BEAR-project (Larsson, 2001). 

 

De 

Improved Pan-European Indicators for Sustainable Forest Management van de 

MCPFE

 uit 2002. 

 

De adviezen uit de 

Joint 

workshop: assessment of biodiversity in Forests in Europe’

 (Fi-

renze, 22 – 24 maart 2007). 

                                               

6

 Een uitgebreide bespreking vindt u in de discussienota ‘Beschrijving van de informatienood’. 

7

 Zie ook FAO (2005): ‘

Because biodiversity encompasses the complexity of all life forms, assessment and monitoring are 

only possible for specific aspects or particular, defined goals. There is no single, objective measure of biodiversity, only 
proxy measures appropriate for specified and by necessity, restricted purposes. For policy and monitoring purposes, it is 
the change in biodiversity that is important, which implies identifying a few relevant indicators and then monitoring them 
over time.’ 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 47 

 

 

‘Ten common mistakes in designing biodiversity indicators for forest policy’

 (Failing & 

Gregory, 2003). 

 
Aansluitend op het thema biodiversiteit is nagedacht over de betekenis van dood hout voor het 
beleid en de manier waarop we dit met een NFI kunnen kwantificeren. 
Enerzijds is dood hout een indicator voor biodiversiteit (zie o.a. Hodge & Peterken, 1998), meer 
bepaald is het een element dat de biodiversiteit bevordert (facet vier). Daarnaast draagt dood 
hout ook bij tot een opslag van koolstof en is het een belangrijk onderdeel van de nutriënten-
kringloop doordat de trage afbraak een geleidelijke aanvulling van organisch materiaal aan de 
bodem bewerkstelligt en doordat grote hoeveelheden koolstof in de dood hout fractie van na-
tuurlijke bossen liggen opgeslagen. 
Cijfers uit andere Europese NFI’s en uit het Vlaams monitoringprogramma integrale bosreserva-
ten hebben aangetoond dat niet enkel het staand dood hout van belang is maar evenzeer het 
liggend dood hout (het zogenaamde 

coarse woody debris

). Het liggend dood hout kan instaan 

voor de helft van het totale volume dood hout. Daarom zijn we op zoek gegaan naar een kos-
tenefficiënte methode voor het opmeten van zowel staand als liggend dood hout.  
 
Hieromtrent stelt Bütler (2003) terecht dat:  

“Standardised methodology and protocols are still lacking. In particular, for dead wood 
no agreement exists on the kind of dead wood items to be inventoried: e.g. standing 
or lying dead wood, from small up to large tree diameters, expressed in volume or 
number of stems per ha?” 

 
Voor het stand dood hout is de methode behouden zoals toegepast tijdens de eerste VBI (opme-
ten van dode staande bomen in geneste cirkelvormige proefvlakken). Daarnaast is gekozen voor 

Line Intersect Sampling

 (LIS, reeds toegepast in de Zwitserse NFI, zie Böhl & Brändli (2007)) 

als een eenvoudige methode om op accurate wijze het volume liggend dood hout te schatten. 
 
Er is niet enkel thematisch maar ook op methodologisch vlak kennis opgebouwd. Zo hebben we 
gekwantificeerd dat we gemiddeld ongeveer 200 tot 400 steekproefpunten nodig hebben om 
een bestandsvolume te kunnen schatten met een foutmarge van 20 m³/ha en om aanwas te 
kunnen schatten met een onderscheidend vermogen van 80 % voor een effect van 1 
m³/ha/jaar. 
 
Een ander methodologisch aspect van kennisontwikkeling betrof de area decision method. Op 
basis van informatie van Daamen & Dirkse (2005) is specifiek voor de VBI de area decision me-
thod uitgewerkt zodat het mogelijk wordt steekproefpunten te bemonsteren die op een grens- 
(bos grenst aan niet-bos) of op een overgangssituatie (verschillende bostypes grenzen aan el-
kaar) vallen. Ook is uitgezocht hoe we de gegevens van dergelijke steekproefpunten moeten 
verwerken en interpreteren. 

1.3.2

 

Element 2: Systeembeschrijving 

Om een realistisch meetnetontwerp uit te tekenen, moeten we beschikken over voldoende ken-
nis zodat we alle essentiële elementen en processen van het te meten systeem kunnen begrij-
pen. Door een goede conceptuele systeembeschrijving wordt enerzijds de relatieve betekenis en 
het belang van de verschillende systeemcomponenten duidelijk in functie van hetgeen de op-
drachtgever te weten wil komen. Anderzijds laat het een betere communicatie toe tussen de 
opdrachtgever (beleid) en de meetnetontwerper (wetenschap) over het relatieve belang van de 
verschillende elementen. 
Een systeembeschrijving moet voldoen aan enkele minimale kwaliteitseisen: 

 

Een opsomming van de verschillende elementen waaruit het systeem is opgebouwd. 

 

De processen die binnen het systeem plaatsgrijpen, waaronder de interacties tussen de 
verschillende systeemelementen. 

background image

 

48 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

De factoren en processen die rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed of druk uitoe-
fenen op het systeem. 

 
We stellen de systeembeschrijving eerst visueel voor a.d.h.v. het conceptuele schema in Figuur 
6. Daarna bespreken we de verschillende systeemelementen en de interacties. 
 

 

Figuur 6 

Schematische voorstelling van de systeembeschrijving van het Vlaamse bos. 

 

Drukfactoren 

Drie soorten drukfactoren treden op. Geen enkele van deze drukfactoren kunnen we met de VBI 
rechtstreeks opmeten. Wel kunnen we voor bepaalde drukfactoren de gevolgen op het ecosys-
teem bos (zie hieronder) (on)rechtstreeks in kaart brengen: 

1.

 

Veranderingen in het milieu: impact op de bosvegetatie kunnen we opvolgen a.d.h.v. El-
lenberg-indicator-waarden. 

2.

 

Rechtstreekse menselijke invloedsfactoren: de invloed van algemene beheermaatrege-
len (zoals geformuleerd in bv. de beheervisie van het ANB of de criteria duurzaam bos-
beheer, zie § 1.2.1) kunnen we grotendeels opvolgen (bv. omvorming homogene den-
nenbossen, bestrijding Amerikaanse vogelkers, meer dood hout, …) 

3.

 

Biotische invloedsfactoren: van de biotische invloedsfactoren kunnen we de vraatschade 
aan de boomverjonging opvolgen. Dat zal echter niet gebeuren in de tweede VBI omdat 
het enerzijds niet eenvoudig is om op een eenduidige manier de vraatschade vast te 
stellen en te kwantificeren. Anderzijds is de meerwaarde van de cijfers voor het beleid 
beperkt omdat het moeilijk is de cijfers te interpreteren (we hebben immers geen refe-
rentie ten opzichte waarvan we kunnen stellen wanneer vraatschade problematisch 
wordt). 

 

Ecosysteem bos 

Het ecosysteem bos kunnen we op verschillende niveaus karakteriseren: 

 

Bestandsopbouw: kunnen we karakteriseren a.d.h.v. VBI 

 

Flora: 

o

 

Boomlaag 

Æ

 kunnen we karakteriseren a.d.h.v. VBI 

o

 

Struiklaag 

Æ

 kunnen we karakteriseren a.d.h.v. VBI 

o

 

Kruidlaag 

Æ

 kunnen we karakteriseren a.d.h.v. VBI 

o

 

Moslaag 

Æ

 kunnen we, indien gewenst, karakteriseren a.d.h.v. VBI. Mossen 

worden (wegens de grote kosten) echter niet meer geïnventariseerd in de twee-
de VBI. 

 

Fauna 

Æ

 kunnen we niet karakteriseren a.d.h.v. BI 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 49 

 

 

Bodem 

Æ

kunnen we, indien gewenst, karakteriseren a.d.h.v. VBI. In de tweede VBI zul-

len echter geen bodemstalen meer genomen worden

8

 

Ecosystem services 

Het ecosysteem bos levert ons verschillende diensten, de zogenaamde ecosystem services. Naar 
analogie met de multifunctionaliteit van de bossen, maken we onderscheid tussen drie catego-
rieën van ecosystem services. Voor elk van deze drie categorieën geven we aan welke aspecten 
we met de VBI kunnen opvolgen: 

 

Economische functie: 

o

 

Bestandsvoorraad 

o

 

Aanwas en exploitatie 

o

 

Houtkwaliteit van de belangrijkste boomsoorten 

 

Ecologisch en milieubeschermende functie: 

o

 

Biodiversiteit (in al zijn aspecten, zie § 2.3.4 en de bijlage ‘Wat is biodiversi-
teit?’) 

o

 

Opslag van koolstof 

 

Sociale functie: kunnen we met de VBI niet opvolgen, zie discussienota ‘Evaluatie be-
monsteringsmeethodiek en variabelenkeuze eerste VBI’. 

1.4

 

Analyse van de aanbodzijde 

Naast de VBI bestaan nog andere meetnetten die, samen met de VBI, nuttige informatie kunnen 
aanleveren. We bespreken enkel deze meetnetten die extra informatie kunnen aanleveren voor 
de VBI en 

vice versa

9

. We gaan m.a.w. na in hoeverre er mogelijkheden zijn tot synergie, zowel 

inhoudelijk als praktisch. 
Hierbij willen we ook verwijzen naar de discussienota ‘Monitoring van natuur (in het buitenge-
bied)’ waarin we een idee lanceren om de natuur in het buitengebied op te volgen met een 
meetnet in een strategische context gelijkaardig aan de VBI. Meer bepaald een steekproef op 
basis van een systematisch grid die met een cyclus van tien jaar bemonsterd wordt. 

1.4.1

 

Boskartering 

De selectie en lokalisatie van de steekproefpunten van de VBI gebeurt op basis van de digitale 
boskartering van het Vlaamse Gewest. De boskartering vormt m.a.w. het steekproefkader voor 
de VBI (zie ook § 2.5.3.1.1). 
Het spreekt voor zich dat een geactualiseerde boskartering de juistheid van de gegevens en het 
efficiënt werken op het veld ten goede komt, bv. nieuw aangeplante bossen die in het meetnet 
opgenomen worden of ontboste percelen die niet meer bezocht moeten worden. 
In de omgekeerde richting kan de VBI ook de boskartering ondersteunen. Bij de boskartering 
hoort immers ook een bestandstypekaart (loofhout, naaldhout, gemengd loofhout, gemengd 
loofhout). De steekproefpunten uit de VBI kunnen dienen als controle van deze typologie. 
 
De meerwaarde zit vervat in twee aspecten: (1) praktisch-financieel en (2) inhoudelijk. 

1.

 

Praktisch – financieel: Door een preciezere en 

up-to-date

 afbakening van de bospolygo-

nen in Vlaanderen, kan de (her)selectie en (her)lokalisatie van de steekproefpunten van 
de VBI op een efficiëntere manier gebeuren. Zo was tijdens de eerste VBI 6 % van de 
steekproefpunten ontbost sinds de boskartering of ten onrechte als bos getypeerd in de 
boskartering. In 2 % van de bezochte steekproefpunten bleek het bos niet te voldoen 

                                               

8

 Voor motivatie: zie discussienota ‘Evaluatie bemonsteringsmethodiek en variabelenkeuze eerste VBI’. 

9

 In de discussienota ‘Typologie meetnetten bos in Vlaanderen’ bespreken we ook de doelstellingen en dimensies van deze 

meetnetten. In de discussienota ‘Synergie met andere meetnetten en onderzoeksprojecten’ bespreken we ook de andere 
mogelijke synergiemogelijkheden die niet in het ontwerp van de tweede VBI zijn opgenomen. 

background image

 

50 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

aan de vooropgestelde minimumvoorwaarden. In totaal zijn dus 8 % van de steekproef-
punten onnodig bezocht. Daarnaast is het eveneens mogelijk dat bepaalde kleine of op 
het moment van de luchtfoto net gekapte bossen niet opgenomen zijn in de vorige bos-
kartering. Een nauwkeuriger boskartering (in combinatie met GIS-verwerking en een 
GIS-laag van de nieuw beboste gebieden) kan helpen om dit type misclassificaties te 
minimaliseren. 

2.

 

Inhoudelijk: Het spreekt voor zich dat een zo exact mogelijke lokalisatie en beschrijving 
van de Vlaamse bossen een grote inhoudelijke meerwaarde creëert. Een goede afstem-
ming tussen de VBI en de boskartering kan hiertoe bijdragen. 

1.4.2

 

Level I meetnet Bosvitaliteit 

De 

Forest Focus-Verordening

 No 2152/2003 van de Europese Commissie liep af eind 2006

10

Daarom is een heroriënteringsprogramma opgestart dat wordt uitgevoerd door een werkgroep 
binnen de Europese Commissie. Dat programma streeft naar een (vernieuwde) synergie tussen 
verschillende meetnetten in de verschillende Europese landen. Globaal wil men komen tot een 

European Forest Monitoring System 

waarbij het Level I meetnet geïntegreerd wordt in de natio-

nale en regionale bosinventarisaties.  
 
Voor de integratie van het Level I meetnet Bosvitaliteit in het proces van de VBI bestaan ruw-
weg twee scenario’s: 

1.

 

De steekproefpunten van het Level I meetnet worden verplaatst naar de steekproefpun-
ten van de VBI. 

2.

 

De metingen die i.h.k.v. de VBI gebeuren worden ook uitgevoerd in de steekproefpun-
ten van het Level I meetnet. 

 
Bij het eerste scenario wordt een volledig nieuw bosvitaliteitsmeetnet opgestart. Dat betekent 
dat de tijdsreeks (die loopt sinds 1987) afgebroken wordt. Ook zullen de heropstartkosten aan-
zienlijk zijn (nieuwe keuze van steekproefpunten en nieuwe lokalisatie van bomen). Bij het 
tweede scenario blijft het huidige bosvitaliteitsmeetnet behouden. Binnen de bestaande 72 
steekproefpunten worden ook dendrometrische metingen en vegetatiekundige opnames uitge-
voerd. 
 
De meerwaarde zit vervat in twee aspecten: (1) praktisch-financieel en (2) inhoudelijk. 

1.

 

Praktisch – financieel: De Forest Focus verordening verplichtte enerzijds de EU-lidstaten 
om bosvitaliteit te monitoren op het Level I meetnet, anderzijds was de Europese Com-
missie verplicht deze monitoring voor 50 % te cofinancieren. Door het wegvallen van 
deze verplichtingen is het voortbestaan van het bosvitaliteitsmeetnet niet gegarandeerd. 
Door een integratie in de VBI blijft zowel praktisch als financieel het voortbestaan van 
het meetnet mogelijk. 

2.

 

Inhoudelijk: De synergie kan extra informatie opleveren omtrent klimaatswijzigingen, 
koolstofopslag en de link met bosvitaliteit. De reikwijdte van deze extra informatie-
inhoud dient, indien gewenst, vooraf onderzocht te worden. Daarbij komt dat het huidi-
ge Vlaamse Level I meetnet niet representatief is voor Vlaanderen, wat bij de VBI wel 
het geval is. 

1.4.3

 

Bosinventarisaties i.h.k.v. de opmaak van uitgebreide bos-

beheerplannen 

Via de opmaak van (uitgebreide) bosbeheerplannen tracht het ANB de beleidsvisie omtrent bos-
beheer in Vlaanderen te implementeren. Die visie is grosso modo gebaseerd op: 
                                               

10

 Meer toelichting in bijlage ‘Harmonisatie Level I meetnet met tweede Vlaamse bosinventaris’. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 51 

 

1.

 

Het concept van multifunctioneel bosbeheer waarbij gesteld wordt dat een bos zo goed 
mogelijk een economische, sociale als ecologische functie dient te vervullen. 

2.

 

De 

Criteria voor Duurzaam Bosbeheer

 (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2003) 

en, in een ruimer kader de 

Improved Pan-European Indicators for Sustainable Forest 

Management

 (Ministerial Conference on the Protection of Forests in Europe, 2002). 

 
In een bosbeheerplan wordt gezocht naar een duurzaam evenwicht tussen bosbouwkundige, 
natuurbehouds- en sociale aspecten. Bij de opmaak van een beheerplan moet de huidige toe-
stand van het bos in kaart gebracht worden a.d.h.v. een lokale inventaris. Indien eerdere inven-
tarisatiegegevens beschikbaar zijn moeten deze gebruikt worden om het gevoerde beheer te 
toetsen en waar nodig bij te sturen. Het beheerplan wordt opgesteld voor een periode van 20 
jaar. Na die periode moet een nieuwe inventaris uitgevoerd worden en mede op basis daarvan 
moet een nieuw beheerplan uitgeschreven worden.  
 
In het meetnetontwerp van deze inventaris zijn momenteel echter enkele knelpunten aanwezig. 
Een eerste probleem is dat niet gewerkt wordt met blanco sites (dus onbeheerde sites). Dat is 
eigenlijk een belangrijke voorwaarde voor een meetnet in een beheercontext en met een con-
trolerende functie omdat we anders niet strikt kunnen bepalen of de veranderingen in het bos 
(in positieve of negatieve zin) te wijten zijn aan de beheermaatregelen dan wel aan natuurlijke 
processen. Een tweede probleem is de selectie van de steekproefpunten. Deze selectie gebeurt 
nu vaak door de lokale beheerders en terreinploegen waardoor een bias kan ontstaan, bv. in 
functie van het beheer dat men wil voeren kan men de meest optimale steekproefpunten selec-
teren. Daarbij komt als laatste knelpunt dat de ligging van de steekproefpunten gekend is 
waardoor het te verwachten valt dat de bosbeheerder in de omgeving van die steekproefpunten 
een extra inspanning zal doen om de vooropgestelde beheermaatregelen uit te voeren terwijl hij 
dat op andere plaatsen niet noodzakelijk zal doen. 
Dus lokaal kunnen we wel in beperkte mate beheermaatregelen opvolgen (rekening houdende 
met de subjectieve keuze van de steekproefpunten en de gekende ligging), maar het is wegens 
de niet-representatieve selectie van de steekproefpunten niet mogelijk om deze informatie op te 
schalen naar niveau Vlaanderen. Met de VBI kunnen we hier op inspelen. Dit meetnet is immers 
wel representatief. Door enkel te kijken naar de steekproefpunten die vallen binnen bos onder 
een beheerplan kunnen we in een strategische context opvolgen hoe deze bossen veranderen in 
functie van enkele generieke doelstellingen van het ANB m.b.t. de kenmerken van de beheerde 
bossen (zie § I.2.1, bv. meer structuurrijke bestanden, meer dood hout, aanwas groter dan het 
kapquantum, …). Daarnaast is het te overwegen om de keuze van de steekproefpunten (lokaal 
in een bos) te laten afhangen van het systematische grid van de VBI (dus een systematische 
steekproeftrekking op een nauwer grid) en niet van de kennis van de lokale beheerders / ter-
reinploegen. 

1.4.4

 

Monitoringprogramma integrale bosreservaten 

De hoofddoelstelling van de monitoring van de bosreservaten is basiskennis te verwerven rond 
het functioneren van bosecosystemen. En het verkrijgen van een inzicht in de spontane ontwik-
kelingen van de structuur en samenstelling van onbeheerde bossen.  
Daarnaast is het uiteraard relevant de opgedane kennis te vertalen naar de praktijk. Dat is mo-
gelijk door de reservaten te beschouwen als referentiesites: zij vormen de blanco’s waaraan we 
bepaalde beheerstrategieën kunnen toetsen. En ze zijn ook de referenties waaraan we de evolu-
ties van de Vlaamse bossen kunnen toetsen

11

, met name in welke mate de natuurlijke toestand 

benaderd wordt. Dat vormt de link met de VBI. De hoofddoelstelling van dit meetnet is immers 
het opvolgen van de evoluties binnen de Vlaamse bossen. In die zin is het interessant te be-
schikken over referentiewaarden van kwantitatieve analysevariabelen of indicatoren; bv. de Au-
                                               

11

 Met die nuance dat de bosreservaten niet representatief zijn voor de bossen in Vlaanderen aangezien ze vaak geselec-

teerd zijn omwille van hun (potenties tot) hogere natuurwaarden en / of omwille van specifieke (a)biotische kenmerken. 

background image

 

52 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

                                              

thenticiteitsindex, de Ellenberg-indicatorwaarden, diversiteitsmaten zoals de index van Shan-
non-Wiener, het scoresysteem van het EDUBO-project. 
Door dit alles is het beter mogelijk om, op Vlaams niveau, het bosbeleid te evalueren en de al-
gemene evoluties binnen onze bossen te interpreteren. Dat maakt, in een strategische context, 
een betere beleidsevaluatie mogelijk. 

1.4.5

 

Meetnet opvolging Staat van Instandhouding Natura 2000 

habitattypes 

Vermoedelijk in 2009 zullen het ANB / INBO van start gaan met een meetnet voor het opvolgen 
van de staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypes. Voor de opvolging van de 
Natura 2000 boshabitattypes zal gesteund worden op de resultaten uit de VBI. Meer hierover in 
§ 2.5.2.2 en de discussienota ‘Opvolging staat van instandhouding Natura 2000 boshabitatty-
pes’. 

1.4.6

 

Teledetectie

12

 

Satellietbeelden kunnen in de toekomst een steekproefkader en/of aanvulling vormen voor de 
VBI: oppervlaktebepaling van het beboste land (boskartering), afbakening van strata in een 
twee-fase sampling, herkenning van boomsoorten, inventaris van bestandvolumes, beoordeling 
van bosvitaliteit, …  
Teledetectie (

remote sensing

) kan dus vooral nuttig zijn in een eerste fase van de VBI voor de 

afbakening van strata en/of voor het leggen van relaties tussen grondvariabelen en bepaalde 
pixelwaarden. Het leggen van deze relaties vergt altijd een uitgebreid onderzoek. Bovendien 
kan de relatie erg verschillen van regio tot regio of van boomsoort tot boomsoort en is extrapo-
latie dus niet altijd zondermeer mogelijk. 
Probleem is dat tijdens de eerste VBI de positie van de steekproefpunten te onnauwkeurig

13

 is 

bepaald om te kunnen dienen als 

ground truth data

 voor teledetectie-onderzoek. Werken met 

GPS en Field-Map (zie discussienota ‘Field-Map’) en een observatiecirkel

14

 (cirkel met straal 36 

meter, zie § 2.6.2.1) kunnen hieraan verhelpen. 

1.5

 

Analyse van de randvoorwaarden 

Een ander aspect dat deel uitmaakt van de analytische fase is na te gaan met welke randvoor-
waarden we rekening moeten houden tijdens het ontwerpen van het meetnet en hoe absoluut 
deze zijn. Deze randvoorwaarden kunnen betrekking hebben op budgettaire beperkingen, een 
tijdsperiode waarbinnen de resultaten geleverd moeten worden, bepaalde inhoudelijke restric-
ties of verplichte eisen, … 
We beschouwen volgende randvoorwaarden: 

 

Budgettaire ruimte en een langetermijnvisie ter zake. 

 

Tijdskader waarbinnen de meetnetresultaten aangeleverd moeten worden. 

 

(Internationale) rapporteringsplicht. 

 

12

 Zie ook discussienota ‘Mogelijke alternatieve methodieken voor de tweede VBI’ 

13

 De werkelijke positie van het steekproefpunt kan 20 tot 50 meter verschillen t.o.v. de XY-coördinaten die in de databank 

zijn ingegeven. 

14

 In de observatiecirkel beoordelen de terreinploegen algemene kenmerken van het bestand zoals bestandstype, bestands-

leeftijd, bedrijfsvorm, mengingsvorm, ontwikkelingsfase, … Deze beoordelingen kunnen - wegens de grotere oppervlakte 
waarover de beoordeling wordt uitgevoerd en wegens de nauwkeurige lokalisatie met GPS / Field-Map – dienen als 

ground 

truth data

 voor evt. gelijkaardige beoordelingen op basis van 

remote sensing

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 53 

 

1.5.1

 

Budgettaire ruimte 

De totale kostprijs van de eerste VBI bedroeg 

ca

. € 1.5 miljoen (personeel + werkingskosten). 

Dat bedrag is het uitgangspunt voor de budgettaire ruimte voor de tweede VBI. Een deel van de 
kosten van toen zal wegvallen (bv. minder variabelen opmeten, geen bodemstalen nemen, op-
leiden veldwerkers, …: zie volgende fasen), maar anderzijds zullen ook kosten bijkomen, in het 
bijzonder de anciënniteit van de werknemers, een toename van het aantal veldbezoeken, de 
aankoop van Field-Map, meer tijd vrijmaken voor kwaliteitszorg tijdens de gegevensinzameling, 
gegevensverwerking en rapportage. Meer hierover in de beleidssamenvatting vooraan dit rap-
port en § 2.7 en § 5.1 en § 5.2. 

1.5.2

 

Tijdskader 

Art. 41quater van het Vlaamse Bosdecreet uit 1990 wordt gewijd aan de VBI. 

§ 1. Het Bosbeheer houdt een inventaris bij van alle bossen gelegen in het Vlaamse 
Gewest. De inventaris heeft tot doel het bosbeleid te ondersteunen op het vlak van de 
bosbescherming, de bosuitbreiding en het bosbeheer. De bosinventaris bestaat uit sta-
tistische gegevens over de verspreiding en de aard van de bossen en heeft onder meer 
betrekking op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het natuurlijk milieu in de 
bossen. 
§ 2. Voor alle bossen, openbare bossen en privé-bossen, wordt met een tussenperiode 
van ten minste vijf jaar en maximaal om de tien jaar, door het Bosbeheer een inventa-
risatie uitgevoerd op basis van steekproeftechnieken. Die wordt de gewestelijke bosin-
ventaris genoemd. In afwijking van artikel 10, §2, hebben alle personen die door het 
Bosbeheer worden aangesteld voor het uitvoeren van de gewestelijke bosinventaris, 
toegang tot alle bossen voor het uitvoeren van die opdracht. 

 
Hierin vinden we terug dat de periode tussen twee rapportages maximaal tien jaar mag bedra-
gen. 
 
Vanaf 2007 moet België iedere zes jaar rapporteren over de staat van instandhouding van de 
Natura 2000 habitattypes waaronder ook de boshabitattypes. Vanaf 2013 moet de rapportage 
gebeuren op basis van meetnetgegevens. De VBI zal gebruikt worden om gegevens in te zame-
len voor de rapportage over de Natura 2000 boshabitattypes. Het meten van deze boshabitatty-
pes moet dus gebeuren met een cyclus van idealiter zes jaar

15

 of men moet de rapportage ba-

seren op minder (recente) gegevens. 

1.5.3

 

(Internationale) rapporteringsplicht 

Het Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest moeten via de federale overheid geza-
menlijk rapporteren aan enkele internationale instellingen over de toestand van de bossen (zie 
ook § 1.2.2): 

 

Opvolging staat van instandhouding van de Natura 2000 boshabitattypes (zie § 2.5.2.2 
en de discussienota ‘Opvolging staat van instandhouding Natura 2000 boshabitattypes’). 

 

Invullen van de criteria en indicatoren van de 

Ministerial Conference on the Protection of 

Forests in Europe

 

Invullen van de statistieken voor de 

Temperate and Boreal Forest Resource

 

Assessment

 

van de FAO. 

 

Rapporteren over bosoppervlaktes aan de 

United Nations Framework Convention on 

Climate Change

 

                                               

15

 Zie discussienota ‘Opvolging staat van instandhouding Natura 2000 boshabitattypes. 

background image

 

54 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

In hoeverre we met de VBI kunnen en moeten voldoen aan de internationale rapporterings-
plicht, vindt u terug in de discussienota ‘Beschrijving van de informatienood’. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 55 

 

2

 

Fase II: Uitwerken van de gegevensinzame-

ling 

2.1

 

Inleiding 

Waar in Fase I de klemtoon lag op de inhoudelijke kwaliteit van de gegevens (het leveren van 
relevante, toegankelijke en toepasbare informatie), ligt de focus in Fase II op de numerieke 
kwaliteit van de gegevens (precisie en/of minimaal detecteerbaar effect).  
Daartoe is het in eerste instantie essentieel dat we de doelpopulatie - die we in Fase I omschre-
ven hebben als ‘de verzameling van bosgebieden in Vlaanderen’ – zo precies mogelijk aflijnen 
(§ 2.2). 
Mede op basis daarvan zullen we in § 2.3 de zes prioritaire vragen uitdiepen door ze te vertalen 
naar meetvragen

16

Deze stappen zijn nodig om te komen tot een gedetailleerde opgave van de aard en hoeveelheid 
van de gegevens die de VBI moet aanleveren. Meer bepaald lichten we toe welke meetgegevens 
ingezameld moeten worden (§ 2.4), welk steekproefontwerp we hanteren (§ 2.5.1), welke 
steekproefgrootte (§ 2.5.2) en op welke wijze we een representatieve steekproeftrekking (es-
sentieel voor een meetnet in een strategische context) willen garanderen (§ 2.5.3)  
Het uiteindelijke resultaat van Fase II is een gedetailleerd ontwerpscenario voor het meetnet en 
de te hanteren bemonsteringsmethodieken (§ 2.6) en een kostenraming van de gegevensinza-
meling (§ 2.7).  

2.2

 

Aflijnen doelpopulatie 

We moeten komen tot een precieze aflijning van de doelpopulatie zodat we in een volgende stap 
criteria kunnen opstellen om op een representatieve manier steekproefpunten te selecteren uit 
de doelpopulatie (zie § 2.5.3). 
Daartoe baseren we ons in eerste instantie op het Bosdecreet uit 1990 en de aanpassingen 
doorgevoerd in 2006 waarin we volgende omschrijving van ‘bos’ terugvinden: 

Art. 3. § 1. Onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlak-
ten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel 
uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. 
§ 2. Onder de voorschriften van dit decreet vallen eveneens: 

1.

 

De kaalvlaktes, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren; 

2.

 

Niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de 
boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaat-
sen, dienstterreinen en ambtswoningen; 

3.

 

Bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het 
bos; 

4.

 

De  aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder 
meer die van populier en wilg, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan de 
aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn buiten 
de ruimtelijk kwetsbare gebieden zoals bedoeld in artikel 146 van het decreet 18 
mei 1990 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, 

5.

 

De grienden. 

§ 3. Onder de voorschriften van dit decreet vallen niet: 

1.

 

De fruitboomgaarden en fruitaanplantingen; 

2.

 

De tuinen, plantsoenen en parken; 

                                               

16

 Merk op: in Fase III gaan we hierin nog een stap verder door de meetvragen te vertalen naar hypothesen (zie § 3.3.2). 

background image

 

56 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

3.

 

De lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kana-
len; 

4.

 

De boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen; 

5.

 

De sierbeplantingen; 

6.

 

De aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop 
als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde 
te voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft be-
reikt; 

7.

 

Alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de ver-
ordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit productie 
nemen van bouwland; 

8.

 

De wisselteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar 
na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst. 

 
Op basis van het aangepaste Bosdecreet (2006) en een beslissingskader (zie discussienota 
‘Steekproeftrekking en steekproefontwerp) hebben we keuzes gemaakt. En zo komen we voor 
de tweede VBI tot volgende omschrijving van de doelpopulatie en de objecten: 
 
De doelpopulatie van de gewestelijke Vlaamse bosinventarisatie bestaat uit bosgebieden: 

 

Met een oppervlakte 

 0.5 ha en minimale breedte 

 25 m. 

 

Die, ongeacht de nationaliteit van de eigenaar, volgens de meest recente boskartering 
binnen het grondgebied van het Vlaamse Gewest vallen. 

 

Die in de beboste oppervlakten vallen zoals vermeld in Art. 3 § 1 en 2 van het Bosde-
creet of die: 

o

 

Op een kaalvlakte vallen die opnieuw zal verbossen of bebost worden 

o

 

Die op een bosweg of brandweg vallen 

o

 

Die op een bestendig bosvrije oppervlakte of strook of recreatieve uitrusting 
binnen bos vallen 

 
Volgende objecten maken deel uit van een steekproefpunt: 

 

Alle levende bomen, ongeacht leeftijd en omvang 

 

Alle staande dode bomen met een minimum diameter op borsthoogte van 7 cm en een 
minimumhoogte van twee meter 

 

Alle ontwortelde en liggende bomen (dood of levend) waarvan de maximale diameter 
minstens 7 cm bedraagt 

 

Alle liggende dood-hout elementen waarvan de maximale diameter minstens 7 cm be-
draagt 

 

Alle kruidachtige vegetatie 

2.3

 

Vertaling prioritaire vragen naar meetvragen 

Voor elke prioritaire vraag formuleren we eerst de verschillende meetvragen. Deze bevatten ook 
de analysevariabelen

17

 (zie § 3.3.1). Dat biedt ons een kader om te komen tot een overwogen 

selectie van de benodigde meetvariabelen (zie § 2.4). 

2.3.1

 

Toestand en evolutie karakteristieken van het bosareaal 

Het opvolgen van het bosareaal is in de eerste plaats een taak voor de Vlaamse boskartering 
(die bovendien het steekproefkader vormt voor de VBI). Het voordeel van de Vlaamse boskarte-

                                               

17

 Op basis van Vos 

et al.

 (1991), zie ook ‘Het ontwerpen van beleidsgerichte meetnetten voor het milieu- en natuurbeleid: 

leidraad voor de meetnetontwerpers’ van Wouters 

et al.

 (2008). 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 57 

 

ring is dat we op nauwkeurige manier de bosoppervlakte kunnen schatten. Twee nadelen zijn 
echter: 

 

Dat we geen controle op het terrein hebben (fouten of veroudering van de boskarte-
ring). 

 

Dat we de polygonen slechts in beperkte mate kunnen identificeren. 

Met de VBI kunnen we gedeeltelijk inspelen op het eerste nadeel. Met name bij polygonen die 
ten onrechte als bos zijn geclassificeerd en waarin een steekproefpunt valt, zal tijdens het ter-
reinwerk blijken dat deze polygonen ten onrechte als bos zijn geclassificeerd. Omgekeerd is het 
echter niet mogelijk om het aandeel misclassificaties te schatten waarbij de boskartering ten 
onrechte bosgebieden classificeert als niet-bos. 
Ook voor het tweede aspect (identificatie) zijn de resultaten van de VBI heel bruikbaar. Zo kun-
nen we niet enkel het complete Vlaamse bosareaal opvolgen, maar ook het oppervlakteaandeel 
met een bepaalde karakteristiek schatten. Bv. bestandsvolume, structuurdiversiteit, bosvegeta-
tietype, boomsoortensamenstelling, vegetatierijkdom, ... Ook de attribuutwaarden die we in § 
2.4 bespreken zijn interessant om de doelpopulatie op een oppervlakterepresentatieve manier 
te karakteriseren. 
 
Deze oppervlakteverdeling is in feite een benadering die terugkeert bij elke prioritaire vraag. In 
Tabel 12 zetten we kort de meest beleidsrelevante meetvragen (m.b.t. oppervlakteverdeling) op 
papier. Indien mogelijk formuleren we deze in functie van bestaande normen, referentiewaar-
den of doelstellingen (zie § 1.2.1). Indien deze niet voorhanden zijn, vergelijken we de cijfers 
met de toestand tijdens de eerste VBI. 
 

Tabel 12 

Meetvragen betreffende de toestand en evolutie van de karakteristieken van het bosareaal. 

Meetvraag 

Wat is het aandeel van de verschillende eigenaarcategorieën? 
Wat is het aandeel in de verschillende provincies? 
Wat is het aandeel aan homogene bestanden? 
Wat is het aandeel aan homogene dennenbossen? 
Wat is het aandeel aan populierenplantages? 
Wat is het aandeel aan bestanden gedomineerd door uitheemse boomsoorten? 
Wat is het aandeel aan gemengde bestanden

18

 op basis van inheemse en standplaatsge-

schikte boomsoorten? Wordt in bossen met een beheerplan de norm van een oppervlakte-
aandeel van 

20 %

 gehaald? 

Wat is het aandeel van de verschillende bostypegroepen

19

Wat is het aandeel aan open plekken? Wordt in openbare bossen boven de doelstelling van 

– 15 %

 oppervlakte aandeel open plekken gehaald? 

Welk aandeel van de steekproefpunten valt op een bosrand (intern of extern)

20

Welk aandeel van de steekproefpunten valt in een overgangssituatie

21

Welk aandeel van de steekproefpunten is niet toegankelijk? 

2.3.2

 

Toestand en evolutie boomsoortensamenstelling 

Het ANB streeft naar een hoger aandeel inheemse loofboomsoorten. In het bijzonder ligt de fo-
cus op het omvormen van de homogenen Kempische dennenbossen en het terugdringen van de 
                                               

18

 Norm voor inheemse bestanden: inheemse boomsoorten dienen minstens 90 % van het grondvlak van het bestand in te 

nemen. Norm voor gemengde bestanden: bestanden zijn gemengd zodra er minstens twee verschillende boomsoorten 
aanwezig zijn en de hoofdboomsoort 80 % of minder van het bestandsgrondvlak inneemt, of 80 % van het totale stamtal 
voor bestanden jonger dan 30 jaar. 

19

 Volgens Cornelis 

et al.

 (2007). 

20

 Zie § 2.6.4 

21

 Zie § 2.6.4 

background image

 

58 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Amerikaanse vogelkers. Hierbij gaat aandacht uit naar het hoge aandeel van Amerikaanse vo-
gelkers (en andere exoten) in de verjonging. 
 
In functie van deze beheervisie (zie § 1.2.1) formuleren we de meetvragen. Indien mogelijk 
formuleren we deze in functie van bestaande normen, referentiewaarden of doelstellingen (zie § 
1.2.1). Indien deze niet bestaan, vergelijken we de cijfers met de toestand tijdens de eerste 
VBI. 
In Tabel 13 komt enkele malen het begrip ‘belangrijkste boomsoorten’ voor. De tien belangrijk-
ste boomsoorten zijn (in functie van dalend volumeaandeel tijdens 1e VBI); grove den, Corsi-
caanse den, populier, inlandse eik, beuk, berk, lork, fijnspar, es en gewone esdoorn. 
 

Tabel 13 

Meetvragen betreffende de toestand en evolutie van de boomsoortensamenstelling. 

Meetvraag 

Wat is van de 10 belangrijkste boomsoorten het procentuele aandeel in het totale stamtal van de 
steekproefpopulatie? 
Wat is van de 10 belangrijkste boomsoorten het procentuele aandeel in het totale grond-
vlak/volume van de steekproefpopulatie? 
Wat is voor de 5 belangrijkste boomsoorten het aandeel aan de homogene en heterogene bestan-
den? 
Is het gemiddeld grondvlakaandeel aan inheemse loofbomen in steekproefpunten die tijdens de 
eerste VBI in homogene bestanden van niet-inheemse boomsoorten lagen gelijk of groter dan 

30 

%

?  

Is het gemiddeld grondvlakaandeel aan inheemse boomsoorten in de totale steekproefpopulatie 
gelijk of groter dan 

80 %

Wat is de kans op voorkomen en de gemiddelde abundantie van NV (als NV voorkomt)van de 5 
belangrijkste boomsoorten? 
Wat is de kans op voorkomen en gemiddelde abundantie van NV invasieve boomsoorten, in het 
bijzonder Amerikaanse vogelkers (als NV voorkomt)? 

2.3.3

 

Toestand en evolutie bestandsopbouw 

M.b.t. de bestandsopbouw streeft het ANB naar meer structuurdiverse bossen met meer open 
plekken (licht in bos). 
 

Tabel 14 

Meetvragen betreffende de toestand en evolutie van de bestandsopbouw. 

Meetvraag 

Wat is het aandeel aan loofhout, naaldhout, gemengd loofhout en gemengd naaldhout? 
Wat is het aandeel aan hooghout, middelhout en hakhout? 
Wat is het aandeel aan jongwas, dichtwas, staakhout en boomhout? 
Wat is het aandeel van de mengingsvormen stamsgewijs, groepsgewijs en homogeen? 
Wat is de verdeling van de bestandsleeftijden? 
Wat is de verdeling van de bestandsleeftijden van de homogene bestanden van de 5 belangrijkste 
boomsoorten? 
In welk aandeel van de steekproefpunten is windworp aanwezig? 
Welk aandeel van de steekproefpunten is overwoekerd door bramen of rododendron of …? 

2.3.4

 

Toestand en evolutie indicatoren voor biodiversiteit 

We splitsen de beleidsvraag naar informatie rond natuurlijkheid en biodiversiteit in de Vlaamse 
bossen op in vier facetten: 

1.

 

Diversiteit aan houtachtige en kruidachtige vegetatie 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 59 

 

2.

 

Natuurlijkheid van de houtachtige en kruidachtige vegetatie 

3.

 

Structuurrijkdom van de bestanden 

4.

 

Aanwezigheid van structurele elementen die biodiversiteit bevorderen 

 
Voor elk van deze vier facetten stellen we meetvragen op. Toelichting omtrent de uitwerking 
van het eerste en het tweede facet vindt u in de discussienota ‘Bosvegetatie’. Bij het derde facet 
formuleren we ook meetvragen omtrent de structuurindices

22

. We willen echter sterk benadruk-

ken dat het gebruik van structuurindices op basis van gegevens uit de VBI sterke beperkingen 
heeft. Lees daarom zeker de discussienota ‘Structuurindices’ na. Bij het vierde facet ligt de fo-
cus op dood hout als structuurdrager voor biodiversiteit. Het hoe en waarom hiervan vindt u 
terug in de discussienota ‘Dood hout’. Tot slot is het ook interessant om de scores van de Au-
thenticiteitsindex van Van Den Meersschaut 

et al.

 (2001) op te volgen (meetvragen in Tabel 

19). Meer uitleg over de Authenticiteitsindex vindt u in de gelijknamige bijlage. 
Vanuit het ANB zijn omtrent deze facetten nagenoeg geen normen, referentiewaarden of doel-
stellingen vooropgesteld. Daarom stellen we voor de cijfers te vergelijken met de toestand tij-
dens de eerste VBI en te streven naar een synergie met het monitoringprogramma integrale 
bosreservaten (zie de beleidssamenvatting vooraan dit rapport, § 1.4.4 en § 3.4.3). 
De interpretatie van de resultaten krijgt een meerwaarde als we dit doen binnen een en hetzelf-
de bosvegetatietype (volgens Cornelis 

et al.

, 2007). We stellen voor om dat systematisch te 

doen. 
 

Tabel 15 

Meetvragen voor de diversiteit aan houtachtige en kruidachtige vegetatie (voor de volledige doelpopulatie en 
per bostypegroep). 

Meetvraag 

Wat is de oppervlakte bos (ha) geordend volgens het aantal aanwezige boomsoorten

23

Wat is het gemiddeld aantal

24

 plantensoorten? 

Wat is de kans op aanwezigheid van 2 of meer zeldzame plantensoorten

25

Wat is de gemiddelde indexwaarde van Simpson? 
Wat is de gemiddelde indexwaarde van Shannon-Wiener? 

 

Tabel 16 

Meetvragen betreffende de natuurlijkheid van de houtachtige en kruidachtige vegetatie (voor de volledige 
doelpopulatie en per bostypegroep). 

Meetvraag 

Welke bosoppervlakte is gedomineerd

26

 door geïntroduceerde boomsoorten? 

Wat is de kans op aanwezigheid en het grondvlakaandeel van inheemse / uitheemse / invasieve 
boomsoorten? 
Wat is de abundantie

27

 aan verjonging van deze soorten (cijfers op basis van plaatsen waar ver-

jonging effectief voorkomt)? 
Wat is gemiddelde abundantie van uitheemse plantensoorten in de vegetatielaag? 

 

                                               

22

 Structuurindices zijn ruimtelijke maten waarmee we de bestandsstructuur kunnen kwantificeren. Voor de berekening van 

de structuurindices hebben we de XY-coördinaten van de bomen nodig, de boomsoort, de dbh en de hoogte van de boom. 

23

 Een boomsoort beschouwen we als aanwezig wanneer deze meer dan 5 % inneemt van het bestandsgrondvlak. We be-

schouwen enkel het aantal boomsoorten aanwezig in het proefvlak en doen dus geen opschaling (naar n boomsoorten per 
ha) omdat het aantal aanwezige boomsoorten niet lineair toeneemt met de oppervlakte. 

24

 We doen geen opschaling van het aantal plantensoorten aanwezig in het proefvlak naar het aantal plantensoorten per ha 

omdat we niet her verband kennen tussen het aantal geïnventariseerde plantensoorten i.f.v. de bemonsterde oppervlakte. 

25

 We doen geen opschaling van het aantal plantensoorten aanwezig in het proefvlak naar het aantal plantensoorten per ha 

omdat we niet her verband kennen tussen het aantal geïnventariseerde plantensoorten i.f.v. de bemonsterde oppervlakte. 

26

 Een bestand is gedomineerd wanneer de geïntroduceerde boomsoorten meer dan 50 % van het bestandsgrondvlak in-

nemen. 

27

 Abundantie drukken we hier uit als % bodembedekking en dit a.d.h.v. de schaal van Braun-Blanquet. 

background image

 

60 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 17 

Meetvragen betreffende de structuurrijkdom van de bestanden (voor de volledige doelpopulatie en per bosty-
pegroep). 

Meetvraag 

Wat is de gemiddelde Positioning Index van Clark and Evan? 
Wat is de gemiddelde Mixture Index van Von Gadow? 
Wat is de gemiddelde Height Differentiation Index van Von Gadow? 
Wat is de verdeling (aandeel steekproefpunten) van de bestandsleeftijden? 
Wat is de kans op aanwezigheid van de drie vegetatielagen (kruidlaag, struiklaag en boom-
laag)? 
Wat is het aandeel ongelijkjarige bestanden? 

 

Tabel 18 

Meetvragen betreffende de aanwezigheid van structurele elementen die biodiversiteit bevorderen (voor de 
volledige doelpopulatie en per bostypegroep). 

Meetvraag 

Wat is de kans op aanwezigheid van een dood-hout element

28

Wat is het gemiddelde volume dood hout (m³/ha) (staand en liggend)? 
Is het gemiddelde aandeel (%) dood hout (staand en liggend) groter dan 

4 %

 van het totale be-

standsvolume? 
Wat is de kans op aanwezigheid van een dikke staande levende boom? 
Wat is de kans op aanwezigheid van een dikke staande dode boom? 

 

Tabel 19 

Meetvragen betreffende de (sub)scores van de Authenticiteitsindex (voor de volledige doelpopulatie en per 
bostypegroep). 

Meetvraag 

Wat is de globale Authenticiteitsindex? 
Wat is de score voor de pijler bosstructuur? 
Wat is de score voor de pijler houtige vegetatie? 
Wat is de score voor de pijler kruidlaag? 
Wat is de score voor de pijler dood hout? 

2.3.5

 

Toestand en evolutie van de samenstelling van de bosvege-

tatie onder invloed van milieuveranderingen 

In plaats van dure metingen van bv. de zuurtegraad van de bosbodem of van de kroonbedek-
kingsgraad, bieden planten (en andere biota) ons de mogelijkheid om indirect de veranderingen 
in het milieu op te volgen.  
A.d.h.v. de zogenaamde Ellenberg indicatorwaarden

29

 kunnen we de impact van milieu- en/of 

beheerveranderingen op de samenstelling van de bosvegetatie onderzoeken. Globaal onder-
scheiden we daartoe drie meetvragen. 

1.

 

Als we per steekproefpunt bepalen wat de gemiddelde waarde is over alle planten heen, 
dan hebben we een indicatie van de milieuomstandigheden voor een viertal aspecten: 
licht, zuurtegraad, voedselrijkdom en vocht. Als deze wijzigen (onder invloed van abio-
tiek en/of bosbeheer), dan zullen in principe ook de gemiddelde Ellenbergwaarden wijzi-
gen.  

2.

 

Ook door te kijken naar de verdeling van de Ellenberg-waarden kunnen we omtrent de 
impact van de milieuveranderingen extra informatie uit de gegevens halen. 

3.

 

De derde meetvraag spitst zich toe op de frequentie en bedekking van individuele plan-
tensoorten en volgt op of bepaalde betekenisvolle verschillen tussen de opnameperiodes 

                                               

28

 We nemen een dood-hout-element in beschouwing wanneer de maximale onderdiameter 

 7 cm. 

29

 Zie discussienota ‘Bosvegetatie’ 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 61 

 

in eenzelfde richting wijzen. Los van hun (Ellenberg)¬indicatiewaarde, hebben planten-
soorten een ecologische betekenis die niet alleen te vatten is in getallen. Door te onder-
zoeken welk type plantensoorten systematisch verdwijnen en/of bijkomen, krijgen we 
ook een idee van de omvang van (de impact van) de milieuveranderingen. Ook dat zou-
den we eventueel kunnen kwantificeren door een typering van de soorten uit te werken 
en dan te kijken hoe de klassen verschuiven. 

 
In Tabel 20 geven we een korte omschrijving van deze drie meetvragen. 
 

Tabel 20 

Meetvragen betreffende de impact van milieuveranderingen op bosvegetatie (voor de volledige doelpopulatie 
en per bostypegroep). 

Meetvraag 

Wat is de gemiddelde Ellenberg-L, -V, -R en –N indicatorwaarde? 
Wat is de verdeling van de Ellenberg-L, -V, -R en –N indicatorwaarde? 
Wat is de gemiddelde abundantie van karakteristieke plantensoorten of groepen van planten-
soorten? 

2.3.6

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –

gebruik 

Multifunctioneel bosbeheer is in Vlaanderen sinds het begin van de jaren ’90 meer en meer het 
uitgangspunt geworden bij de visievorming over het beheer van de openbare en privé-bossen. 
Wanneer we nadenken over duurzaam bosbeheer en -gebruik, kunnen we onderscheid maken 
tussen vier facetten: economisch, ecologisch, milieubeschermend en sociaal (recreatie). Uitge-
zonderd het sociale facet, stellen we voor elk van deze facetten meetvragen op. In dit ka-der 
gaan  we  ook  na  welke  indicatoren van de 

Improved Pan-European Indicators for Sustainable 

Forest Management

 (MCPFE, 2002) we kunnen vertalen naar meetvragen waarop de VBI een 

antwoord kan geven.  
We merken nog op dat het interessant is om voor de privé-bossen de resultaten te vergelijken 
tussen privé-bossen die deel uitmaken van een bosgroep en zij die dat niet doen. Dat kan op 
lange termijn in een strategische context een aanwijzing geven over de effectiviteit van de bos-
groepen in termen van duurzaam bosbeheer. 
Voor het economische facet van duurzaam bosbeheer formuleren we enerzijds algemene meet-
vragen over volumes en aanwas (Tabel 21). Anderzijds stellen we meetvragen op omtrent hout-
kwaliteit van de economisch belangrijkste boomsoorten (Tabel 22). 
 

Tabel 21 

Meetvragen voor het economisch facet van duurzaam bosbeheer (voor de volledige doelpopulatie en in functie 
van lidmaatschap bosgroep). 

Meetvraag 

Wat is de totale (m³) en gemiddelde (m³/ha) houtvoorraad? 
Wat is voor de homogene bestanden van de 5 belangrijkste boomsoorten de gemiddelde lopen-
de jaarlijkse aanwas per ha? Ligt deze hoger dan 

5 m³/ha/jaar

Wat is de gemiddelde lopende jaarlijkse bestandsaanwas per bostypegroep? Ligt deze hoger 
dan 

5 m³/ha/jaar

Wat is voor de 5 belangrijkste boomsoorten in homogene bestanden het gemiddelde geëxploi-
teerde bestandsvolume (m³/ha/jaar)? 
Wat is het gemiddelde geëxploiteerde bestandsvolume (m³/ha/jaar) per bostypegroep? 
Wat is voor de 5 belangrijkste boomsoorten in homogene bestanden het gemiddelde afgestor-
ven bestandsvolume (m³/ha/jaar)? 
Wat is het gemiddelde afgestorven bestandsvolume (m³/ha/jaar) per bostypegroep? 

 

background image

 

62 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 22 

Meetvragen voor de houtkwaliteit

30

  van de economisch belangrijkste boomsoorten

31

Meetvraag 

Wat is voor de economisch belangrijkste boomsoorten het totale volume (m³) aan industrie-, 
brand- en pulphout enerzijds (klasse C) en kwaliteitsvol (klasse B) en hoog kwaliteitsvol (klasse 
A) hout anderzijds? 
Wat is de verdeling van de houtvolumesortimenten i.f.v. de bestandsleeftijd voor cultuurpopu-
lier en gelijkjarige beuken-, eiken- en dennenbestanden? 
Wat is per boomsoort voor de klassen A en B het relatieve aandeel van de verschillende defec-
ten

32

Wat is voor de economisch belangrijkste boomsoorten het volume aan: 

-

 

Takvrije stammen van minimaal 6 meter lengte zonder defecten, met een geringe excentri-
citeit, met een gering verloop en met een minimale onderdiameter. 

-

 

Takvrije stammen van minimaal 6 meter lengte met maximaal 1 defect en/of een aan-

vaardbare excentriciteit en/of een aanvaardbaar verloop en een minimale onderdiameter. 

-

 

Takvrije stammen van minimaal 6 meter lengte die niet aan bovenstaande criteria voldoen. 

-

 

Takvrije stammen korter dan 6 meter zonder defecten, met een geringe excentriciteit, met 

een gering verloop en met een minimale onderdiameter. 

-

 

Takvrije stammen korter dan 6 meter met maximaal 1 defect en/of een aanvaardbare ex-
centriciteit en/of een aanvaardbaar verloop en een minimale onderdiameter. 

-

 

Takvrije stammen korter dan 6 meter die niet aan bovenstaande eisen voldoen. 

 
Voor het ecologisch facet van duurzaam bosbeheer en -gebruik verwijzen we naar de meetvra-
gen m.b.t. 

 

Boomsoortensamenstelling, in het bijzonder m.b.t. het bevorderen van autochtone 
boom- en struiksoorten (zie Tabel 13). 

 

Bestandsopbouw, in het bijzonder m.b.t. een gevarieerde bestandsstructuur (zie Tabel 
14). 

 

Biodiversiteit, in het bijzonder m.b.t. dood hout en vegetatie (zie Tabel 15, Tabel 16 en 
Tabel 18). 

 
In Tabel 23 geven we meetvragen voor het milieubeschermende facet (meer bepaald gegevens 
rond C-opslag). In Tabel 24 staan de meetvragen die ingaan op de 

Improved Pan-European 

Inidcators for Sustainable Forest Management

 waarvoor we met de VBI de gewenste informatie 

kunnen aanleveren. 
 

Tabel 23 

Meetvragen voor het milieubeschermend facet van duurzaam bosbeheer (voor de volledige doelpopulatie en in 
functie van lidmaatschap bosgroep). 

Meetvraag 

Wat is de totale C-opslag (ton) voor Vlaanderen en per bostypegroep? 
Wat is de gemiddelde C-opslag (ton/ha) voor Vlaanderen en per bostypegroep? 

 
 
 
 
 
 
 
 

                                               

30

 Voor een toelichting bij de meetvragen over houtkwaliteit verwijzen we naarr de discussie ‘Houtkwaliteit’ 

31

 De economisch belangrijkste boomsoorten zijn beuk, eik (ongeacht inlands, Amerikaans of moeras), cultuurpopulier, berk 

(ongeacht ruw of zacht), grove en Corsicaanse den. 

32

 In de discussienota ‘Houtkwaliteit’ sommen we de verschillende defecten op. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 63 

 

Tabel 24 

Vertaling van de Improved Pan-European Indicators for Sustainable Forest Management naar meetvragen. We 
focussen enkel op deze indicatoren die we met de VBI geheel of gedeeltelijk kunnen invullen. 

Indicator Meetvraag 

1.1 Bosoppervlakte 

Wat is de oppervlakte bos (absoluut en relatief) per bostypegroep? 

1.2 Houtvoorraad 

Wat is de totale (m³) en gemiddelde (m³/ha) houtvoorraad per bostype-
groep? 

1.3 Leeftijdsstructuur 
en/of diameter distributie 

1.

 

Wat is de verdeling (aantal steekproefpunten) van de bestandsleeftijden 

per bostypegroep (aparte cijfers voor gelijkjarige en ongelijkjarige be-
standen)? 

2.

 

Wat is het gemiddeld aantal diameterklassen

33

 per steekproefpunt per 

bostypegroep (aparte cijfers voor gelijkjarige en ongelijkjarige bestan-
den)? 

1.4 

C-voorraad 

Wat is gemiddelde C-voorraad van de houtige vegetatie (ton CO

2

-

equivalenten/ha)? 

3.1 Aanwas en kappingen 

Wat is de netto jaarlijkse aanwas

34

 per bostypegroep? 

4.1 Boomsoortensamen-
stelling 

Wat is de oppervlakte bos (ha) geordend volgens het aantal aanwezige 
boomsoorten

35

 en volgens bostypegroep? 

4.2 Verjonging 

Wat is voor gelijkjarige en ongelijkjarige bestanden het aandeel (aantal 
steekproefpunten) en de oppervlakte (ha) waar verjonging voorkomt ge-
rangschikt per verjongingstype

36

4.3 Natuurlijkheid 

Wat is de oppervlakte bos voor de bostytpes onverstoord door de mens, 
halfnatuurlijk en aanplantingen? 

4.4 Geïntroduceerde 
boomsoorten 

Wat is de oppervlakte aan bestanden gedomineerd

37

 door geïntroduceerde 

boomsoorten? 

4.5 Dood hout 

Wat is het gemiddeld bestandsvolume (m³/ha) van liggend en staand dood 
hout

38

2.4

 

Selectie meetvariabelen en attribuutwaarden op 
basis van meetvragen 

In de vorige paragraaf hebben we per prioritaire vraag de meetvragen geëxpliciteerd. In de om-
schrijving van de meetvragen vonden we ook de verschillende analysevariabelen terug. Op ba-
sis hiervan komen we tot een selectie van de relevante meetvariabelen. De uitwerking daarvan 
vindt u o.a. terug in de discussienota’s ‘Evaluatie bemonsteringsmethodiek en variabelenkeuze 
eerste VBI’, ‘Bosvegetatie’, ‘Houtkwaliteit’ en ‘Line intersect sampling’.  
In deze handleiding beperken we ons tot een opsomming van de benodigde meetvariabelen: 

 

Staande bomen: 

o

 

Boomcoördinaten: azimut en afstand tot middelpunt 

o

 

Status levend/dood/omgevallen/geëxploiteerd. Indien boom afgeroken: cylin-
dervormig of kegelvormig 

o

 

Boomsoortbepaling 

                                               

33

 De indeling van de diameterklassen (dbh

1.3

) is als volgt: 0 - 19 cm; 20 – 39 cm; 40 – 60 cm; > 60 cm. 

34

 De netto jaarlijkse aanwas wordt gedefinieerd als ‘

average annual volume over the given reference period of gross in-

crement less that of natural losses on all trees to a minimum diameter of 0 cm (d.b.h). Gross increment is the volume 
growth of survivor trees.’ 

35

 Een boomsoort beschouwen we als aanwezig wanneer deze meer dan 5 % inneemt van het bestandsgrondvlak. 

36

 In het rapport worden volgende verjongingstypes onderscheiden: NV, NV verstrekt door aanplantingen, KV, uitlopers van 

hakhout. 

37

 Een bestand is gedomineerd wanneer de geïntroduceerde boomsoorten meer dan 50 % van het bestandsgrondvlak in-

nemen. 

38

 Criteria voor opmeting dood hout: lengte > 2 meter. Diameter wordt overgelaten aan de lidstaten. Volgende minimumdi-

ameters worden aangeraden: staand dood hout > 10 cm dbh; liggend dood hout > 10 cm gemiddelde diameter. In de 
tweede VBI nemen we als onderdiameter 7 cm, zie ook § 2.6.2.2. 

background image

 

64 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

o

 

Twee loodrechte diametermetingen op borsthoogte 

o

 

Totale boomhoogte 

 

Staande bomen waarop houtkwaliteitsmetingen worden uitgevoerd: 

o

 

Stamhoogte eerste levende zijtak met dikte 

 2 cm (enkel bij loofhout) 

o

 

Takhoek eerste levende zijtak met dikte 

 10 cm (enkel bij loofhout) 

o

 

Twee loodrechte diametermetingen op borsthoogte 

o

 

Visuele schatting stamverloop 

o

 

Aanwezigheid defecten: 

o

 

Draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam 

o

 

Vorstscheuren, zonnebrand, lijsten, waterloten, wortelaanlopen, kankergezwel-
len, rot, schimmels, insectenaantastingen, wildschade, … 

o

 

Beschadiging door bosexploitatie en –beheer 

o

 

Andere 

 

Liggende dode bomen en dood-hout-elementen: 

o

 

Twee loodrechte diametermetingen 

o

 

Hoek die dode boom of dood-hout-element maakt met horizontale vlak 

o

 

Loofhout – naaldhout - onbekend 

 

Vegetatieopnames inclusief verjonging: 

o

 

Soortbepaling 

o

 

Vegetatielaag (kruidlaag, struiklaag, boomlaag) 

o

 

Schatting abundantie 

 
Daarnaast zijn verschillende attribuutwaarden

39

 vereist voor het beantwoorden van de prioritai-

re vragen.  
Een eerste categorie van attribuutwaarden moeten de veldwerkers bepalen in het bos zelf: 

 

Landgebruik steekproefpunten buiten bos (door fouten of veroudering boskartering): (1) 
niet-beboste natuur; (2) landbouw (grasland of akker); (3) bewoning; (4) industrie; (5) 
infrastructuur; (6) grondstofwinning; (7) stort; (8) andere. 

 

Verschijningsvorm niet-beboste steekproefpunten binnen bos: (1) open ruimte binnen 
bos; (2) kapvlakte; (3) boswegen; (4) gracht, beek of vijver; (5) bewoning, recreatie of 
andere infrastructuur; (6) andere. 

 

Niet toegankelijk: we geven deze attribuutwaarde aan steekproefpunten die praktisch 
niet te bereiken zijn. 

 

Overwoekerd door bramen of rododendron of …: we geven deze attribuutwaarde aan 
steekproefpunten die overwoekerd zijn door bramen of rododendron of … waardoor het 
moeilijk is dendrometrische metingen uit te voeren. 

 

Bestandstype: (1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd naald-
hout. 

 

Bedrijfsvorm: (1) hooghout; (2) middelhout; (3) hakhout; (4) te bepalen (verjongingen, 
kap- en brandvlaktes). 

 

Mengingsvorm: (1) homogeen; (2) stamsgewijs; (3) groepsgewijs. 

 

Bestandsleeftijd / plantjaar: klassen van 20 jaar; > 160 jaar; ongelijkjarig. 

 

Ontwikkelingsfase: (1) jongwas; (2) dichtwas; (3) staakhout; (4) boomhout. 

 

Windworp: aanwezigheid van windworp in het bestand: ja/nee. 

 

Expositie: enkel voor nieuwe steekproefpunten. 

 

Helling: enkel voor nieuwe steekproefpunten. 

 
Andere attribuutwaarden moeten bepaald worden op basis van GIS, kaartmateriaal, kadasters, 
BWK, …: 

 

Kadastraal perceel: kadastraal perceelsnummer. 

                                               

39

 Zie ook § 1.2.1. Zowel voor de gegevensverwerking als de interpretatie is het belangrijk dat we aan elk steekproefpunt 

enkele attribuutwaarden kunnen toekennen. In het bijzonder voor de eerste prioritaire vraag (toestand en evolutie karakte-
ristieken bosareaal, zie ook § 2.3.1) is dit interessant omdat we zo de doelpopulatie oppervlakterepresentatief kunnen ka-
rakteriseren. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 65 

 

 

Eigenaarcategorie: staat, gewest, provincie, gemeente, andere openbare instellingen, 
privé. 

 

Provincie: vijf Vlaamse provincies. 

 

Textuurklasse: (1) geen gegevens; (2) zand; (3) lemig zand; (4) leem; (5) zandleem; 
(6) klei; (7) licht zandleem; (8) duin; (9) stenig; (10) veen; (11) zware klei. 

 

Fytogeografische regio’s: vijf fytogeografische regio’s in Vlaanderen. 

 

Ecoregio’s: 12 ecoregio’s in Vlaanderen. 

 

Historiek (FERR, Gereduceerd kadaster, VDM, MCI 1-2-3, NGI 1-2-3,  BKart 1-2) à 
(1775 – 1850 – 1868 – 1881 – 1928 – 1958 – 1980 – 1988 - ?)

40

 

Lidmaatschap van bosgroep: vermelding of de eigenaar van het bos waarin het steek-
proefpunt gelegen is lid is van een bosgroep (niet specificeren welke bosgroep). 

 

Type beheer: (1) geen of niet gekend; (2) via kapmachtiging; (3) via beperkt beheer-
plan; (4) via uitgebreid beheerplan in overeenstemming met Criteria Duurzaam Bosbe-
heer. 

 

Ligging in VEN: vermelden of het steekproefpunt gelegen is in VEN-gebied. 

 

Ligging in Speciale Beschermingszone (SBZ): vermelden of het steekproefpunt gelegen 
is in een SBZ. 

 

Ligging in Natura 2000-boshabitat: vermelden of het steekproefpunt gelegen is in Natu-
ra 2000-boshabitat. Zo ja, welk habitattype. 

 
Een laatste groep van attribuutwaarden kunnen we slechts benoemen na een verwerking van de 
gegevens. De bepaling van het Natura 2000 boshabitattype en het bestandstype is een controle 
en indien nodig correctie van de attribuutwaarden uit de vorige categorie: 

 

Bosvegetatietype: A tot J (volgens Cornelis  

et al.

, 2007) op basis van verwerking van 

de vegetatiegegevens. 

 

Natura 2000 boshabitattype: op basis van vegetatieopnames en vertaalsleutel aflijnen 
tot welk habitattype het steekproefpunt behoort. 

 

Bestandstype: (1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd naald-
hout. Op basis van verwerking van de dendrometrische gegevens. 

 
Tot slot sommen we op welke variabelen uit de eerste VBI we niet opnieuw opmeten: 

 

Inventarisatie verjonging in cirkel A

1

 

 

Schorsdikte 

 

Takvrije stamlengte bij alle bomen uit cirkel A

3

/A

4

 

 

Kwaliteitsbepaling stam op basis van Homa-Güteklassen 

 

De bepaling van de verticale structuur: een etage of meerdere etages 

 

De bepaling van opperhoutrijk of opperhoutarm middelhout 

 

Sluitingsgraad 

 

Sociale variabelen (recreatieve infrastructuur, afval, betreding buiten paden) 

 

Variabelen op basis van bodemstalen 

 

Inventarisatie van de mossen 

2.5

 

Steekproeftrekking, steekproefgrootte en steek-
proefontwerp 

2.5.1

 

Steekproefontwerp 

Net zoals tijdens de eerste VBI werken we tijdens de tweede VBI met een systematische en 
voor Vlaanderen representatieve steekproeftrekking: een grid van 1km (oost-west) x 0.5km 
(noord-zuid) (zie Figuur 7). We schakelen over van een periodiek (alle steekproefpunten be-

                                               

40

 Zie Onkelinx 

et al.

 (2004). 

background image

 

66 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

monsteren in een korte periode) naar een continu meetnet waarbij we jaarlijks op systemati-
sche wijze 1/10e van de totale steekproefpopulatie bemonsteren. De belangrijkste voordelen 
van continu meten t.o.v. periodiek meten zijn (zie ook discussienota ‘Mogelijke alternatieve me-
thodieken voor de tweede VBI’): 

 

Ervaring en expertise wordt continu opgebouwd bij het team verantwoordelijk voor de 
VBI (zowel bij de veldwerkers als bij de inhoudelijk en organisatorisch verantwoordelij-
ken). Op termijn komt dit de kwaliteit van de VBI ten goede (behoud van ‘

institutional 

knowledge

’). 

 

Een eventuele bijsturing van het veldwerk is nog mogelijk na een analyse van de eerste 
gegevens. Een tussentijdse analyse na een jaar kan bv. aan het licht brengen dat een 
bepaalde variabele systematisch overschat wordt (zie § 3.3.1.2 en § 5.3.1). 

 

Kosten worden gespreid. Daarenboven neemt de responsitiviteit van het meetnet toe 
omdat iedere vijf i.p.v. tien jaar een technisch en beleidsrapport uitgebracht kan worden 
(zie § 4.4). Dat vergroot vanuit beleidskringen de draagvlak voor het meetnet. 

 
De steekproefpunten zijn permanent van aard en worden dus niet meer verschoven of vervan-
gen door andere steekproefpunten op een andere locatie (uitgezonderd steekproefpunten in 
nieuw bijgekomen bosgebieden)

41

. Steekproefpunten die tijdens de eerste VBI verschoven zijn 

worden teruggeplaatst op hun oorspronkelijke locatie (zie § 2.5.3.3). 
 

 

Figuur 7 

Op basis van de recentste Vlaamse boskartering en een overlay met het grid van 1km x 0.5km selecteren we 
de steekproefpunten. 

 

In § 2.5.3 lichten we toe welke de criteria zijn voor het al dan niet selecteren van een steek-
proefpunt. 

2.5.2

 

Steekproefgrootte 

Eerst (§ 2.5.2.1) geven we algemeen aan wat de gewenste steekproefgrootte is voor de bos-
bouwkundige en vegetatiekundige proefvlakken. 
Daarna (§ 2.5.2.2) gaan we in op de mogelijkheid tot overbemonstering van Natura 2000 bos-
habitatttypes. 

                                               

41

 In de discussienota ‘Mogelijke alternatieve methodieken voor de tweede VBI’ lichten we de belangrijkste voordelen van 

permanente steekproefpunten toe. 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 67 

2.5.2.1

 

Algemeen 

Tijdens de eerste VBI werd voor de bosbouwkundige proefvlakken een grid gehanteerd van 1km 
x 0.5km. Dat resulteerde in 3074 geselecteerde steekproefpunten (op basis van de boskarte-
ring) en 2665 steekproefpunten die effectief in de steekproefpopulatie zijn opgenomen

42

In de discussienota ‘Steekproefgrootte’ tonen we aan dat minstens 200 tot 400 steekproefpun-
ten  nodig zijn om voor de belangrijkste bosbouwkundige variabelen (volume en aanwas) vol-
doende onderscheidend vermogen te hebben. De meeste belangrijkste strata beschikken over 
deze steekproefgrootte. Daarom is het niet nodig meer steekproefpunten te selecteren. 
Aan de andere kant is een kleinere steekproefgrootte (bv. grid van 1km x 1km) geen optie om-
dat we dan een belangrijk deel onderscheidend vermogen verliezen en we dus minder vlug een 
trend zullen waarnemen

43

. Ook verliezen we de helft van onze gepaarde waarnemingen (verge-

leken met de eerste VBI) en valoriseren we dus slechts de helft van de investering die destijds 
gemaakt is voor de eerste meetcampagne. 
In Tabel 25 geven we voor enkele mogelijke stratificatiescenario’s aan in hoeverre we nog vol-
doende steekproefpunten hebben om een miniaal gewenste foutmarge en onderscheidend ver-
mogen te behouden.  
 

Tabel 25 

Beoordeling van enkele stratificatiescenario’s voor het behalen van de foutmarges en het kunnen onderschei-
den van de gemiddelde waarden. +: we hebben een (nagenoeg) voldoende grote steekproef; ~: we hebben 
niet voor alle categorieën voldoende steekproefpunten; -: we hebben voor (bijna) alle categorieën te weinig 
steekproefpunten. 

Stratificatie naar: 

Absolute en 

relatieve 

foutmarge 

Onderscheidend vermogen (voor 

verschil tussen de groepsgemid-

delden) 

Bestandstype + 

Eigenaarcategorie + 

Homogene bestanden dominante boomsoorten 

Fytogeografische regio 

Textuurklasse - 

Boomsoort en eigenaarcategorie 

Bestandstype (homogeen), boomsoort (zomereik 
en grove den) en fytogeografische regio 

- ~ 

 
Voor de vegetatiekundige opnamen werd tijdens de eerste VBI een raster gehanteerd van 1km 
x 1km. In 1334 steekproefpunten werd de vegetatie geïnventariseerd. Deze gegevens werden 
vooral gebruikt voor het opstellen van een bostypologie en bijhorende classificatietechniek. 
Voor de tweede en volgende VBI’s hebben de inventarisatiegegevens van de vegetatie een be-
langrijke rol te vervullen (zie ook discussienota ‘Bosvegetatie’): 
 

1.

 

Bepaling van het bosvegetatietype volgens Cornelis 

et al.

 (2007): een meerwaarde zo-

wel voor de gegevensverwerking als voor de internationale rapportering. 

2.

 

Indicator voor biodiversiteit. 

3.

 

Indicator voor veranderingen in het bosmilieu (a.d.h.v. Ellenberg-indicator-systeem). 

4.

 

Beoordeling van de staat van instandhouding van de Natura 2000 boshabitattypes. 

5.

 

Inventariseren van verjonging. 

 
Om van ieder steekproefpunt te kunnen zeggen tot welke bosvegetatietype het behoort en om 
de overige vier functies zo optimaal mogelijk in te kunnen vullen wordt de steekproefgrootte 
voor de vegetatiekundige proefvlakken verdubbeld tot een raster van 1km x 0.5km (dus in ter-
                                               

42

 Dat is dus een uitval van 13 % te wijten aan bos verdwenen sinds boskartering of fout boskartering (6 %), bos niet toe-

gankelijk (2 %), bos voldoet niet aan minimumvoorwaarden (2 %) en eigenaar geeft geen toestemming (3 %). 

43

 De kleinste detecteerbare trend zal 

ca.

 

2

 keer groter zijn. 

 

background image

 

68 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

men van steekproefgrootte een even intensieve bemonstering als de bosbouwkundige metin-
gen). 

2.5.2.2

 

Overbemonstering Natura 2000 boshabitattypes 

Vanaf 2007 moet iedere lidstaat van de EU per biogeografische regio rapporteren aan de Euro-
pese Commissie over de staat van instandhouding van de Natura 2000 habitattypes. Deze rap-
portage zal een cyclus hebben van zes jaar (2007 - 2013 - 2019 - …). 
De rapportage over de drie Belgische biogeografische regio’s is als volgt toegewezen: 

1.

 

Marien Atlantische regio 

Æ

 Federale Overheid 

2.

 

Atlantisch Belgische regio (ten noorden van Samber en Maas) 

Æ

 Vlaams Gewest 

3.

 

Continentaal Belgische regio (ten zuiden van Samber en Maas) 

Æ

 Waals Gewest 

 
Vanaf 2013 moet gerapporteerd worden op basis van meetnetgegevens. Over de gegevensin-
zameling in België zijn tot op heden enkel principeakkoorden gesloten (dus nog geen concrete 
afspraken) (uit Paelinckx & De Bruyn, 2007): 

“Vlaanderen is verantwoordelijk voor de rapportage voor de Belgisch Atlantische regio, dit 
is de zone ten noorden van Samber en Maas. Hierbij draagt ANB de eindverantwoordelijk-
heid, terwijl INBO de beoordeling van staat van instandhouding van de habitats en van de 
soorten coördineert en deze ook grotendeels zelf aanlevert. 
Met betrekking tot de Belgisch-Atlantische regio zijn de overige gewesten verantwoorde-
lijk voor de aanlevering en interpretatie van alle benodigde gegevens over hun grondge-
bied en voor het uitvoeren van de nodige monitoring hiertoe. Voor het Brusselse Hoofd-
stedelijk Gewest ligt de opdracht hiertoe bij het Leefmilieu Brussel (BIM) (i.s.m. VUB) en 
voor het Waals Atlantische grondgebied bij het 

Centre de Recherche de la Nature, des Fo-

rêts et du Bois (CRNFB).”

 

 
In het rapport ‘Kwaliteitsvolle monitoring voor het beleid: Aanzet tot een steekproefschema voor 
het monitoren van de staat van instandhouding, rapportversie’ (Onkelinx 

et al.

, 2007) en de 

discussienota ‘Opvolging staat van instandhouding Natura 2000 boshabitattypes’ wordt aange-
toond dat we - voor een voldoende kwaliteitsvolle rapportage over de SvIH - per boshabitattype 
minstens 171 steekproefpunten moeten 

bemonsteren

. Dan moet wel voldaan zijn aan volgende 

randvoorwaarden: 

 

De steekproefpopulatie moet ‘oneindig groot zijn’, in praktijk betekent dit dat  . 

 

De ruimtelijke autocorrelatie tussen de steekproefpunten moet beperkt zijn. 

 
In Tabel 26 ziet u voor de relevante Natura 2000 boshabitattypes de geschatte oppervlakte (in 
Vlaanderen op basis van vertaling van de BWK-eenheden, in Wallonië op basis van expert jud-
gement) (Thomaes 

et al.

, 2007). 

 

Tabel 26 

De boshabitattypes uit de Atlantisch Belgische regio met weergave van de oppervlakte in Vlaanderen en Wallo-
nië en het aantal steekproefpunten uit de eerste VBI respectievelijk de vorige Waalse regionale bosinventarisa-
tie dat in deze boshabitattypes gelegen was 

Boshabitattype Vlaanderen 

Wallonië 

 

n Opp. 

(ha) n Opp. 

(ha) 

9120 

317 

19 551 

62 

4 354 

9130 

41 

2 602 

108 

12 149 

9160 

51 

3 539 

175 

7 860 

9190 

44 3 

142 2 5 

091 

91E0 

233 

14 754 

20 

8 308 

Totaal 686 

43 833 

367 

37 762

 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 69 

We zien dat we in Wallonië te weinig steekproefpunten hebben in vergelijking met de geschatte 
oppervlakte. Dat komt omdat de steekproefpunten uit de Waalse bosinventaris aan een bosha-
bitat toegekend zijn op basis van de vegetatieopnamen die niet overal zijn uitgevoerd. 
 
In Tabel 27 ziet u hoeveel extra steekproefpunten we nog nodig hebben om het aantal van 171 
te bereiken. Hierbij gaan we er voorlopig van uit dat de randvoorwaarden van oneindige popula-
tie en geen ruimtelijke autocorrelatie voldaan zijn, wat in werkelijkheid niet altijd het geval is. 
 

Tabel 27 

Het aantal steekproefpunten dat extra nodig is om per boshabitattype 171 steekproefpunten te hebben. Ener-
zijds wanneer we de steekproefpunten uit het Vlaams en Waals deel van Atlantisch België samennemen. An-
derzijds wanneer we enkel de steekproefpunten uit het Vlaams deel van Atlantisch België beschouwen. 

Natura 2000 

boshabitattype 

Vlaanderen Wallonië 

Extra   Vl + 

Wall 

n

Extra   en-

kel Vl 

n

n

 

Opp. (ha) 

n

 

Opp. (ha) 

9120 

317 

19 551 

62 

4 354 

9130 41 

2602 

108 

12 

149  22 

130 

9160 51 

3539 

175 

860 

120 

9190 44 

3142 

091  125 

127 

91E0 

233 

14 754 

20 

8 308 

Totaal 686 

43 

833 

367 

37 762

 147  377 

 
Wanneer we ervan uitgaan dat enkel de steekproefpunten uit het Vlaamse deel van Atlantisch 
België gebruikt zullen worden voor de rapportage over de Atlantisch Belgische regio, dan zou-
den in totaal 377 extra steekproefpunten bemonsterd moeten worden en dat ongeveer gelijk 
verdeeld over de habitattypes 9130, 9160 en 9190. 
Op een totaal aantal van ca. 2665 steekproefpunten (eerste VBI) betekent dit dat de veldteams 
ongeveer 14 % extra steekproefpunten moeten bezoeken en inventariseren. Deze steekproef-
punten kunnen we echter niet zondermeer meenemen in de analyses voor het beantwoorden 
van de zes prioritaire vragen van VBI omdat we dan in globo niet langer een representatieve 
steekproef hebben. Wel is het mogelijk te werken met wegingsfactoren.  
 
Daarbij komt dat de rapportage over de SvIH van de Natura 2000 habitattypes iedere zes jaar 
moet gebeuren. Idealiter zou dus de meetcampagne voor de opvolging van deze habitattypes 
een cyclus van zes jaar moeten hebben. Wat betekent dat we jaarlijks ongeveer (377/6 =) 63 
steekproefpunten extra moeten bemonsteren + de steekproefpunten uit de oorspronkelijke 
steekproefpopulatie van de VBI die we ook zesjaarlijks (i.p.v. tienjaarlijks) moeten herbemon-
steren. 
 
Al deze scenario’s zijn nog onderhevig aan vele veronderstellingen. We kunnen dit alles pas uit-
klaren wanneer een algemeen meetnet voor de opvolging van de SvIH van alle Natura 2000 
habitattypes in de Belgisch Atlantische regio vorm heeft gekregen. Eind 2008 zou hiertoe een 
concept op tafel moeten liggen. 
Tot zover bevelen we aan om de mogelijkheid tot een zekere overbemonstering (zoals hierbo-
ven beschreven) in te calculeren. 

2.5.3

 

Een representatieve steekproeftrekking 

Drie aspecten van de representatieve steekproeftrekking willen we verder uitklaren: 

1.

 

Welke criteria stellen we op voor het al dan niet selecteren van een steekproefpunt, zo-
wel op basis van de boskartering als tijdens het terreinwerk? 

2.

 

Hoe clusteren we de steekproefpunten zodat we op kostenefficiënte wijze jaarlijks een 
representatief staal van het volledige Vlaamse bosareaal kunnen bemonsteren? 

3.

 

Hoe gaan we om met steekproefpunten die tijdens de eerste VBI zijn verschoven? 

 

background image

 

70 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

2.5.3.1

 

Criteria voor het selecteren van steekproefpunten 

2.5.3.1.1

 

Criteria voor het selecteren van steekproefpunten op basis van de 
boskartering 

De doelpopulatie voor de tweede VBI hebben we afgelijnd in § 2.2. 
 
Het uitgangskader voor het toetsen van de criteria is in eerste instantie de recentste boskarte-
ring. Hierop plaatsen we een grid van 1km x 0.5km zoals voorgesteld in Figuur 7 (zie § 2.5.1). 
 
Daaruit kan in de meeste gevallen blijken of een steekproefpunt (hieronder verstaan we de 
exacte XY-coördinaten) in een gebied valt dat (1) al dan niet voldoet aan de voorschriften van 
het Bosdecreet en (2) al dan niet voldoet aan de minimumcriteria m.b.t. oppervlakte en breedte 
bosgebied. De boskartering wordt aangevuld (geactualiseerd) met een GIS-laag van het ANB 
waarin alle recente bebossingen en ontbossingen zijn aangeduid. Deze update voorkomt dat we 
nutteloos ontboste landoppervlakken bezoeken of ten onrechte (her)beboste gebieden niet be-
zoeken omdat ze nog niet op de boskartering terug te vinden zijn. 
 
Enkele randgevallen zijn mogelijk: 

 

Stel dat een steekproefpunt (XY-coördinaten) volgens de recentste boskartering niet 
met bomen begroeid is (terwijl dat in de vorige boskartering wel nog het geval was) en 
dat na een visuele interpretatie van de luchtfoto’s blijkt dat het steekproefpunt in een 
kaalvlakte

44

 valt. Dan is het nodig dit steekproefpunt te bezoeken om (1) na te gaan of 

het steekproefpunt nog effectief tot het bos behoort en niet omgezet is naar bv. 
(land)bouwgrond en (2) evt. verjonging, vegetatie en dood hout in het steekproefpunt 
te inventariseren. Want er zal altijd een tijdsperiode van enkele jaren zijn tussen de 
luchtfoto en het terreinwerk zodat successie of aanplanting al kan hebben plaatsgevon-
den. 

 

Stel dat een steekproefpunt (XY-coördinaten) volgens de boskartering niet met bomen 
begroeid is en dat na een visuele interpretatie van de luchtfoto’s blijkt dat het steek-
proefpunt valt in een niet-beboste oppervlakte die nodig is voor het behoud van het 
bos: 

o

 

Boswegen en brandwegen: we moeten het steekproefpunt bezoeken. Met de 

area decision method

 kunnen we immers ook steekproefpunten bemonsteren 

die zich uitstrekken over rand- en overgangszones. We hebben bewust gekozen 
om ook dergelijke situaties in de steekproef op te nemen

45

o

 

Aanpalende of buiten het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en 
ambtswoningen: deze steekproefpunten moeten we niet bezoeken omdat inven-
tarisaties hoe dan ook niet mogelijk zijn. Maar we verwerpen deze steekproef-
punten niet. Met een attribuutwaarde duiden we immers aan wat de aard van 
het steekproefpunt is. 

 

Stel dat een steekproefpunt (XY-coördinaten) volgens de boskartering niet met bomen 
begroeid is en dat na visuele interpretatie van de luchtfoto’s blijkt dat het steekproef-
punt valt binnen bestendig bosvrije oppervlakte of stroken en recreatieve uitrustingen 
binnen het bos: deze steekproefpunten moeten we niet bezoeken omdat inventarisaties 
hoe dan ook niet mogelijk zijn. Maar we verwerpen deze steekproefpunten niet. Met een 
attribuutwaarde duiden we immers aan wat de aard van het steekproefpunt is. 

 

                                               

44

 In principe is een kaalslag enkel mogelijk wanneer dat is opgenomen in een beheerplan of wanneer een kapmachtiging 

verleend is. Indien die informatie in een databank aanwezig is met een link naar het kadasternummer of de geografische 
locatie, dan is het mogelijk om interpretatiefouten te vermijden. 

45

 Zie § 2.6.4 en discussienota ‘Area decision method’. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 71 

 

Daarnaast is het belangrijk rekening te houden met de nauwkeurigheid van de boskartering. De 
eerste boskartering van het Vlaamse Gewest (1978 – 1990) is uitgevoerd op basis van visuele 
interpretaties van kleur infrarood luchtfoto's en terreincontroles. Hieruit zijn zeer nauwkeurige 
basiskaarten (zgn. orthofotokaarten of orthofotoplans) afgeleid. Een orthofotokaart (80cm x 
100cm) (1/5000) komt exact overeen met een kwart van een NGI stafkaart (1/10.000). De pla-
nimetrische nauwkeurigheid van de orthofotokaarten bedraagt 2mm x 2mm wat bij een schaal 
van 1/5000 resulteert in een terreinnauwkeurigheid van 10m x 10m of 1 are. Daarom stellen wij 
voor om een bufferstrook met breedte van 30 - 50 meter af te lijnen rond alle gedigitaliseerde 
bosgebieden. We kiezen voor 30 - 50 m (i.p.v. 10 m) omdat we ook de onnauwkeurigheid die 
gepaard gaat met het digitaliseren van polygonen in rekening moeten brengen. De landbedek-
king van alle steekproefpunten die binnen deze buffer vallen, moet extra gecontroleerd worden. 
Meer bepaald moeten we nagaan of deze steekproefpunten effectief gelegen zijn buiten bosge-
bied of dat dit een misinterpretatie is t.g.v. van de terreinnauwkeurigheid van 10m x 10m en 
mogelijke vectorisatiefouten inherent aan de boskartering. Deze extra controle kunnen we uit-
voeren door de XY-coöridnaten van de desbetreffende steekproefpunten te leggen op de recent-
ste luchtfoto’s. Indien dan nog twijfel bestaat, kan een terreinbezoek definitieve zekerheid 
brengen.  
Dat is een vorm van kwaliteitscontrole die moet voorkomen dat een aantal steekproefpunten 
(die in grenssituaties gelegen zijn) ten onrechte uit de steekproefpopulatie geweerd worden. Zo 
voorkomen we dat de meetnetresultaten een (kleine) vertekening geven van de werkelijke situ-
atie. En verzekeren we ons van een representatieve steekproeftrekking.  

2.5.3.1.2

 

Criteria voor het selecteren van steekproefpunten tijdens het veld-
bezoek 

In bepaalde gevallen kan tijdens het terreinwerk toch nog onzekerheid ontstaan over het feit of 
het steekproefpunt al dan niet geselecteerd moet worden: 

 

Tussen het opnametijdstip van de boskartering en het terreinwerk is meestal een tijd-
verschil van enkele jaren. In die periode kunnen bv. percelen nog ontbost of van aard 
veranderd zijn.  

 

Het is mogelijk dat de aard van bepaalde percelen foutief geïnterpreteerd is op de bos-
kartering. 

 

Het is mogelijk dat een perceel in werkelijkheid niet aan de minimumcriteria voldoet 
terwijl dat op basis van de boskartering wel zo besloten was. 

 
In deze situaties moeten de veldwerkers - uitgaande van de exacte locatie van het steekproef-
punt - autonoom beslissen of het steekproefpunt al dan niet voldoet aan de voorschriften van 
het Bosdecreet en aan de minimumcriteria m.b.t. oppervlakte, breedte en sluitingsgraad. 
 
Indien de totale oppervlakte (cirkel met straal 18 meter) rond een steekproefpunt volledig valt 
op een pad of een open plek of in een vijver binnen een bosgebied, dan wordt de aard van dit 
steekproefpunt met een attribuutwaarde aangegeven. Andere gegevens worden niet genoteerd. 
Indien de oppervlakte rond een steekproefpunt slechts gedeeltelijk op een pad, … valt, dan ma-
ken we gebruik van de 

area decision method

 (zie § 2.6.4 en de discussienota daaromtrent). 

 
Indien een steekproefpunt op het terrein toch niet blijkt te voldoen aan de voorschriften van het 
Bosdecreet en de minimumcriteria, dan wordt het niet opgenomen in de inventaris. Ook wordt 
niet gezocht naar een alternatief in de nabije omgeving 
 
Tot slot kunnen zich problemen voordoen bij het ruimtelijk exact herlokaliseren van de steek-
proefpunten uit de eerste VBI. Met een koperen plaat onder de grond is het exacte centrum van 
ieder steekproefpunt aangegeven. Het zal echter niet altijd mogelijk zijn om deze koperen plaat 
(met een metaaldetector) terug te vinden. Een categorische attribuutwaarde (zie Tabel 28) be-
schrijft de mogelijke situaties waarmee de veldwerkers geconfronteerd zullen worden. 

background image

 

72 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 28 

Verschillende categorieën en hun betekenis van het attribuut ‘herlokaliseren steekproefpunt’. 

Categorie Betekenis 

Koperen plaat niet gezocht / niet gevonden omdat het gebied nu geen bos meer is 

Koperen plaat teruggevonden 

Koperen plaat niet teruggevonden, maar het proefvlak en alle of de meeste individuele 
bomen zijn geïdentificeerd en gelokaliseerd. Het exacte middelpunt is opnieuw gepositi-
oneerd 

Nieuw steekproefpunt (dus niet bezocht tijdens eerste VBI) 

Het was niet mogelijk de koperen plaat terug te vinden en voldoende individuele bomen 
te identificeren en lokaliseren. Op de plaats waar het steekproefpunt theoretisch zou 
moeten liggen, is een nieuw permanent steekproefpunt geïnstalleerd 

 
Het spreekt voor zich dat we categorie 4 zoveel mogelijk willen vermijden. Want in dergelijke 
situaties verliezen we immers een gepaarde meting, wat betekent dat we de financiële inspan-
ning geleverd tijdens de eerste VBI niet ten volle valoriseren. Daarom bevelen we aan om als 
richtlijn aan de veldwerkers mee te geven dat ze voldoende tijd moeten spenderen aan het 
exact herlokaliseren van de steekproefpunten. Ook al impliceert die tijdsinvestering dat ze die 
dag niet het vooropgestelde aantal steekproefpunten kunnen bemonsteren. 

2.5.3.2

 

Groeperen van de steekproefpunten 

Bij een continue bosinventarisatie bemonsteren we ieder jaar een vaste proportie 

i

p

 van de 

steekproefpopulatie zodat op het eind van de meetcampagne (na 

t

 jaar) de totale steekproef-

populatie 

n

 

bemonsterd is. De meetcampagne van de tweede VBI zal tien jaar duren. Wiskun-

dig uitgedrukt:  
 

 

  met 

 de steekproefpopulatie bemonsterd in jaar 

i

 waarbij 

 

10

1

i

i

n

=

=

n

i

n

i

i

n

np

=

 
Het methodologisch uitgangspunt is dat we ieder jaar 1/10

e

 van de totale steekproefpopulatie 

bemonsteren en dit op een geografisch (systematisch) gespreide manier. Om te besparen op 
transportkosten, kunnen we werken met groepen van steekproefpunten. We doen twee voor-
stellen waartussen keuze mogelijk is tijdens de effectieve implementatie van het meetnet. 
 
Een eerste mogelijkheid is te werken met noord-zuid georiënteerde stroken van steekproefpun-
ten zoals voorgesteld in Figuur 8. 
 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 73 

 

 

Figuur 8 

Jaarlijkse verdeling van de steekproefpunten volgens een geografisch systematisch patroon: noord-zuid geori-
ënteerde stroken van steekproefpunten. 

 
We beginnen in het oosten van Vlaanderen en schuiven zo systematisch op naar het westen. 
Ieder jaar bemonsteren we de steekproefpunten in verschillende stroken waarvan de tussenaf-
stand gelijk is aan negen maal de strookbreedte. Zo verkrijgen we dat na tien jaar het volledige 
Vlaamse land bemonsterd is en dit jaarlijks op een representatieve manier. 
De keuze voor de breedte van de stroken moet vooral gekozen worden in functie van werkbaar-
heid. Een strookbreedte van twee tot vier kilometer lijkt in dit kader realistisch. Hierbij is het 
wel de bedoeling om over gans Vlaanderen en gedurende de ganse meetcampagne dezelfde 
strookbreedte aan te houden. 
Wel is het mogelijk om hiermee in zekere mate soepel om te springen om het veldwerk in bos-
arme gebieden kostenefficiënt te houden. Bv. in de westhoek en het zuiden van West-
Vlaanderen kunnen we ervoor opteren om de steekproefpunten nog meer te clusteren en het 
veldwerk dus in kortere periodes uit te voeren. Het is wel essentieel is dat we van ieder steek-
proefpunt exact   (= aantal jaar tussen twee opeenvolgende metingen) kennen en dat deze 
vanaf de derde VBI niet teveel afwijkt van tien jaar. 
Tot slot bevelen we aan om jaarlijks de steekproefpunten voor het komende werkjaar te selec-
teren. Dat heeft als voordeel dat gewerkt kan worden met de meest recente beschikbare infor-
matie, bv. een update van de boskartering op basis van nieuwe luchtfoto’s. 
 
Een tweede mogelijkheid is te werken met UTM-hokken (5km x 5km hokken) zoals voorgesteld 
in Figuur 9. 
 

 

background image

 

74 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Figuur 9 

Jaarlijkse selectie van de steekproefpunten door een random selectie van de UTM-hokken. De tien kleuren van 
de UTM-hokken komen overeen met telkens een tiende deel van de UTM-hokken. 

 
De idee is dat we in eerste instantie aan elk van de UTM-hokken een random nummer toeken-
nen gaande van 1 tot 647 (aangezien 647 UTM-hokken geheel of gedeeltelijk binnen Vlaanderen 
vallen). Deze hokken doorlopen we gedurende de meetcampagne in volgorde van stijgend 
nummer. Ieder jaar willen we een tiende van de steekproefpunten bemonsteren, dus we zorgen 
ervoor dat we in jaar 1 net zoveel hokken selecteren tot we 1/10e van de steekproefpunten 
hebben. Idem voor de volgende jaren. In theorie zouden we kunnen stellen dat we ieder jaar 
1/10e van de UTM-hokken moeten bemonsteren. Het is echter mogelijk dat door de toevallige 
ligging van de hokken (we hebben de UTM-hokken immers random genummerd) het ene jaar 
meer steekproefpunten in de geselecteerde UTM-hokken liggen dan een ander jaar. Daarom 
stellen we voor om ieder jaar de UTM-hokken in stijgend nummer te doorlopen tot ca. 270 
steekproefpunten geselecteerd zijn.  
 
Het voordeel van deze methode t.o.v. de methode met de noord-zuid georiënteerde stroken is 
dat we veel minder een systematisch patroon in de gegevensinzameling zullen hebben. De hok-
ken liggen immers jaarlijks random gespreid over gans Vlaanderen terwijl er bij de stroken tel-
kens een tussenafstand is van (afhankelijk van de strookbreedte) 20 tot 50 kilometer. 
Wat betreft de werkverdeling (in termen van transport) vragen beide methodes ongeveer een 
zelfde inspanning: 

 

Bij het gebruik van de UTM-hokken (5km x 5km) is de gemiddelde afstand vanuit een 
steekproefpunt tot het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde dichtstbijzijnde punt res-
pectievelijk 1.2, 1.9, 2.7, 3.4 en 4.1 km. 

 

Bij noord-zuid georiënteerde stroken van vijf km breed is dat: 1.0, 1.5, 2.0, 2.5 en 2.9 
km. Bij stroken van 2 km breed krijgen we 1.2, 2.1, 3.0, 3.9 en 4.8 km. 

2.5.3.3

 

Verschoven steekproefpunten 

Tijdens de eerste VBI zijn ongeveer 474 steekproefpunten verschoven. In Tabel 29 ziet u wat 
hiervoor de belangrijkste redenen waren

46

 
 
 
 
 
 

                                               

46

 In de databank staat bij de meeste van de verschoven steekproefpunten beschreven waarom ze verschoven zijn. Wij 

hebben dit verdeeld naar vijf logische categorieën. 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 75 

 

Tabel 29 

Het aantal verschoven steekproefpunten tijdens de eerste VBI voor enkele grote categorieën die aangeven 
waarom het steekproefpunt verschoven is. 

Reden verschuiven 

Aantal 

Bosweg 103 
Bosrand 76 
Bestandsrand 84 
Andere (beek, vijver, open plek, talud, 
rododendron, niet toegankelijk, …) 

88 

Niet opgegeven waarom 

123 

 
Tijdens de tweede VBI zullen echter geen steekproefpunten meer verschoven worden en de 
steekproefpunten die verschoven werden tijdens de eerste VBI worden terug op hun oorspron-
kelijke positie gelegd. Immers, het verschuiven van steekproefpunten impliceert dat we niet 
langer een representatieve steekproef hebben. In het bijzonder rand- en overgangssituaties 
(met een meer heterogene opbouw en samenstelling) worden systematisch uit de steekproef 
geweerd waardoor we riskeren een vertekend beeld te krijgen en het minder goed mogelijk is 
de impact van kleinschalig bosbeheer op te volgen. Ook lopen we het risico eenzelfde steek-
proefpunt meerdere malen te moeten verplaatsen aangezien door bosomvorming een steek-
proefpunt dat nu nog in een homogene situatie ligt, de volgende keer op een grens- of over-
gangssituatie kan komen te liggen. Aangezien we streven naar een robuuste steekproefpopula-
tie en naar het gebruik van permanente steekproefpunten, moeten we dat zo veel mogelijk 
vermijden. 
Het terugplaatsen van de verschoven steekproefpunten heeft als nadeel dat we voor een aan-
zienlijk aantal steekproefpunten (ongeveer 474 of 1/6

e

 van de bemonsterde steekproefpopula-

tie) tijdens de tweede VBI geen gepaarde metingen zullen hebben. Met als gevolg een verlies 
aan onderscheidend vermogen.  
 
We bespreken voor de verschillende categorieën uit Tabel 29 hoe we hiermee in de tweede VBI 
moeten omgaan

47

 

‘Bosweg’: een steekproefpunt waarvan de bemonsteringsoppervlakte geheel op een 
bosweg valt, benoemen we met de attribuutwaarde ‘bosweg’. We nemen dit steekproef-
punt als zodanig op in de databank en verschuiven het dus niet. Indien de bemonste-
ringsoppervlakte gedeeltelijk op een bosweg valt en gedeeltelijk binnen een bestand, 
dan voeren we de area decision method uit (zie § 2.6.4). 

 

‘Bosrand’: een steekproefpunt dat in een bosrand valt (dus de bemonsteringsoppervlak-
te valt gedeeltelijk in het bos en gedeeltelijk erbuiten), bemonsteren we met de area 
decision method wanneer het middelpunt van het steekproefpunt effectief binnen het 
bos valt. 

 

‘Bestandsrand’: een steekproefpunt waarvan de bemonsteringsoppervlakte in twee of 
meer duidelijke te onderscheiden (zie § 2.6.4) bestanden gelegen is, bemonsteren we 
met de area decision method. 

 

‘Andere’:  

o

 

‘Beek, vijver, open plek, talud’: indien deze oppervlakten deel uitmaken van een 
bosgebied, benoemen we deze steekproefpunten met een gepaste attribuut-
waarde. We nemen deze steekproefpunten als zodanig op in de databank en 
verschuiven ze dus niet. Indien we dit reeds kunnen waarnemen a.d.h.v. de 
boskartering en luchtfoto-interpretatie, is het niet nodig deze steekproefpunten 
effectief te bezoeken. 

o

 

‘Rododendron’: in bestanden overwoekerd door bramen of rododendron of … is 
het praktisch vaak moeilijk dendrometrische metingen uit te voeren. We be-
noemen deze steekproefpunten met de attribuutwaarde ‘overwoekerd door 

                                               

47

 De categorie ‘niet opgegeven waarom’ laten we hier even buiten beschouwing. We veronderstellen dat de reden voor het 

verschuiven gelijk verdeeld is over de vier overige categorieën. 

background image

 

76 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

bramen of rododendron of …’ en nemen ze als zodanig op in de databank. We 
verschuiven ze dus niet. We proberen zo goed mogelijk dendrometrische metin-
gen uit te voeren. Indien hoogtemetingen niet mogelijk zijn, beperken we ons 
voor de levende bomen tot omtrekmetingen en boomsoortidentificatie. 

o

 

‘Niet toegankelijk’: niet toegankelijke steekproefpunten benoemen we met een 
attribuutwaarde ‘niet toegankelijk’. We verschuiven ze dus niet. 

2.6

 

Bemonsteringsmethodiek 

2.6.1

 

Lokaliseren steekproefpunt 

Tijdens de eerste VBI is de positie van alle steekproefpunten reeds bepaald en bewaard. In eer-
ste instantie werden de theoretische XY-coördinaten bepaald van alle punten die volgens de 
overlay van het grid van 1km x 0.5km met de boskartering binnen bos vielen. Vervolgens werd 
elk steekproefpunt binnen bos op een luchtfoto ingemeten vanuit een duidelijk herkenbaar refe-
rentiepunt (bv. hoek twee bestanden of kruispunt wegen). Daartoe werd vanuit het referentie-
punt de voortbewegingrichting bepaald, i.e. de hoek die de rechte lijn tussen het referentiepunt 
en het steekproefpunt maakt met het noorden (= de azimut). Vervolgens werd de afstand in-
gemeten tussen het referentiepunt en het steekproefpunt. Deze afstand werd opgeschaald zodat 
de veldwerkers op het terrein op correcte manier vanuit het referentiepunt het steekproefpunt 
konden lokaliseren. Hierbij was het uiteraard mogelijk dat twee of meer stappen genomen wer-
den om vanuit het referentiepunt naar het steekproefpunt te gaan. In Figuur 10 geven we twee 
voorbeelden. Deze tussenstappen werden ook aangeduid op de kopie van de luchtfoto en staan 
beschreven in de databank. 

 

Figuur 10 

Methode voor het lokaliseren van de steekproefpunten tijdens de eerste VBI. Vanuit een vooraf bepaald refe-
rentiepunt werd op kaart en luchtfoto de hoek en afstand gemeten tot het steekproefpunt. Door een opscha-
ling van de afstand konden de veldwerkers op

 

het terrein het steekproefpunt lokaliseren. 

 
Voor de tweede VBI zullen de veldwerkers moeten werken met deze gegevens en het beschik-
bare kaartmateriaal. Aan de hand van een topografische kaart (bv. 1/20.000) en een luchtfoto, 
die kan ingeladen worden in de 

Field-Map

 veldcomputer, zullen ze het referentiepunt op het ter-

rein terugvinden.  
Vertrekkende vanuit dat punt moeten ze de berekende afstand afleggen en dit volgens de 
voortbewegingrichting, dus identiek zoals het gedaan is tijdens de veldcampagne van de eerste 
VBI. Met dat verschil dat de locatie van de steekproefpunten op het veld niet altijd exact over-

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 77 

eenkomt met deze op de luchtfoto

48

. Na een of meerdere van deze stappen komen ze in de na-

bije omgeving van het steekproefpunt. Een koperen plaat onder de grond en een kaartje met de 
positionering en kenmerken van de bomen – zoals opgemeten tijdens de eerste VBI en ingela-
den in de veldcomputer van 

Field-Map

 - zullen moeten helpen om uiteindelijk de exacte positie 

van het steekproefpunt te herlokaliseren (zie Figuur 11). 
 

 

Figuur 11Het gebruik van Field-Map om naar de steekproefpunten te navigeren. Op basis van vooraf ingelezen XY-

coördinaten, een luchtfoto en een bestandskaart kunnen de veldwerkers vanuit het referentiepunt navigeren 
naar de omgeving van het steekproefpunt. Een kaartje met de positionering en kenmerken van de bomen - 
zoals opgemeten tijdens de eerste VBI – moeten helpen om de exacte positie van het steekproefpunt te herlo-
kaliseren. Evt. kan ook een metaaldetector gebruikt worden om te zoeken naar de koperen plaat onder de 
grond (zie 

www.ifer.cz

). 

 
Verwacht wordt dat het exact herlokaliseren van de steekproefpunten niet altijd eenvoudig zal 
verlopen en dat dit een belangrijk deel van de tijdsbesteding zal innemen. Maar zoals reeds ge-
steld is het exact herlokaliseren van de steekproefpunten cruciaal en dus moet deze stap nauw-
keurig gebeuren. Omdat in de volgende VBI’s dit knelpunt niet telkens opnieuw zou optreden, 
bevelen we aan in de tweede VBI de positie van alle steekproefpunten opnieuw te bepalen en in 
te geven en dit a.d.h.v. een gestandaardiseerde en nauwkeurige methode. 

Field-Map

 biedt hier-

toe alle mogelijkheden. 
Hierbij willen we er nog op wijzen dat een exacte lokalisatie van het steekproefpunt een absolu-
te voorwaarde is indien men op termijn wil komen tot het verder onderzoeken van de mogelijk-
heden van teledetectie voor het gebiedsdekkend karteren en inventariseren van de Vlaamse 
bossen

49

. Ook voor ander wetenschappelijk onderzoek op basis van gegevens uit de VBI is de 

exacte lokalisatie van de steekproefpunten vaak een 

conditio sine qua non

50

 
Stel dat het de veldwerkers absoluut niet lukt om het middelpunt van het steekproefpunt te her-
lokaliseren. Dan moeten ze op basis van de vooraf vastgelegde positie op de luchtfoto een 
nieuw steekproefpunt inmeten en markeren. De meetgegevens uit dat nieuwe steekproefpunt 
kunnen we niet koppelen aan de meetgegevens uit het steekproefpunt dat niet terug gevonden 
is, ook al weten we dat ze niet ver uiteen liggen. 

                                               

48

 Indien de werkelijke locatie van de steekproefpunten meer dan 50 tot 100 meter afwijkt van de theoretisch correcte 

locatie van de steekproefpunten (zoals bedoeld op basis van de boskartering) stellen we voor om een nieuw steekproefpunt 
te installeren op de theoretische correcte locatie van het steekproefpunt. Want de kans is groot dat in dergelijke situaties 
de afwijking niet random is, maar dat de veldwerkers bewust het steekproefpunt verschoven hebben. 

49

 Zie discussienota ‘Synergie met andere meetnetten en onderzoeksprojecten’ en Van Coillie (pers.com., 2006). 

50

 Zie Bijlage ‘Verslag workshop Bosinventarisatie 29 november 2006’. 

 

background image

 

78 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

2.6.2

 

Bemonsteringsmethodiek bosbouwkundig proefvlak 

De metingen in het bosbouwkundig proefvlak gebeuren in het winterseizoen (oktober t.e.m. 
maart) omdat dan beter afstand- en hoogtemetingen kunnen gebeuren (ontbladerde bomen en 
struiken). 
We maken onderscheid tussen de bemonstering van de staande bomen enerzijds en van de 
ontwortelde bomen en het liggend hout (dood of levend) anderzijds. 

2.6.2.1

 

Bemonstering staande bomen 

De lay-out voor het bosbouwkundig proefvlak bestaat uit vier geneste cirkelvormige proefvlak-
ken zoals weergegeven in Figuur 12. Het verschil met de eerste VBI is dat we de cirkel A1 (voor 
het bemonsteren van de verjonging) niet meer uitleggen

51

 en dat we een observatiecirkel met 

straal 36 meter toegevoegd hebben

52

 

 

Figuur 12 

Bemonsteringsmethodiek a.d.h.v. geneste cirkels voor de bosbouwkundige metingen. 

 
Per steekproefcirkel worden volgende objecten opgemeten: 

 

Cirkel A

2

: straal 4.5 meter (= 64 are) 

o

 

Staande bomen met dbh < 7 cm en hoogte 

 2 m 

 

Cirkel A

3

: straal 9 meter (= 255 are) 

o

 

Staande bomen met dbh 

 7 cm en < 39 cm 

o

 

Hakhoutstoven 

 

Cirkel A

4

: straal 18 meter (= 1018 are) 

o

 

Staande bomen met dbh 

 39 cm 

 

Cirkel A

4

: straal 36 meter (= 4072 are) 

o

 

Categorische beoordeling omgeving steekproefpunt 

 
Voor elke cirkel geven we nu meer in detail aan welke meetvariabelen aan welke objecten moe-
ten opgemeten worden. 

                                               

51

 Informatie over de verjonging zal nu afgeleid worden uit de inventarisatiegegevens van de vegetatiekundige proefvlak-

ken. Zie discussienota ‘Bosvegetatie’. 

52

 In de discussienota ‘Evaluatie bemonsteringsmethodiek en variabelenkeuze eerste VBI’ geven we meer toelichting over 

het gebruik van de geneste cirkelvormige proefvlakken. 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 79 

 

Cirkel A

2

 

Bomen met dbh < 7 cm en hoogte 

 2 m: 

 

Boomsoort 

 

Aantal per boomsoort 

 

Cirkel A

3

 

Bomen met dbh 

 7 en < 39 cm: 

 

Azimut (indien boom nog niet gepositioneerd was) 

 

Afstand t.o.v. middelpunt proefvlak (indien boom nog niet gepositioneerd was) 

 

Status levend/dood/omgevallen/geëxploiteerd 

 

Indien een deel van de boom is afgebroken, aangeven of het resterende stamstuk cylin-
der- of kegelvormig is 

 

Boomsoort 

 

Diameter op borsthoogte (twee loodrechte diametermetingen)

53

 

 

Totale boomhoogte 

 
Hakhoutstoven: 

 

Azimut van het centrum van de stoof (indien stoof nog niet gepositioneerd was) 

 

Afstand t.o.v. middelpunt proefvlak vanuit het centrum van de stoof (indien stoof nog 
niet gepositioneerd was) 

 

Status levend/dood/omgevallen/geëxploiteerd 

 

Boomsoort 

 

Diameter op borsthoogte van alle telgen (twee loodrechte diametermetingen) 

 

Gemiddelde hoogte van de hakhoutstoof 

 
Aan bepaalde van deze bomen voeren we houtkwaliteitsmetingen uit

54

. We doen dit met name 

voor de belangrijkste boomsoorten (beuk, eik, populier, berk, grove den en Corsicaanse den) 

met een dbh 

 25 cm aan iedere 

1000

ste

x

boom (met 

x

 het aantal bomen per boomsoort met dbh 

 25 cm). We kunnen Field-Map zodanig programmeren dat de invulvelden voor de houtkwali-

teitgegevens automatisch verschijnen bij iedere 

1000

ste

x

boom

55

 

 

Stamhoogte eerste levende zijtak bij loofhout met dikte 

 2 cm. 

 

Takhoek eerste levende zijtak met dikte 

 10 cm: 0 – 30° of 30 – 60° of > 60°. 

 

Visuele schatting stamverloop: (1) (nagenoeg) geen verloop; (2) zwak verloop; (3) 
sterk verloop. 

 

Aanwezigheid defecten: gewoon aangeven of een van de volgende categorieën aanwe-
zig is, maar geen beoordeling van hoeveel of hoe sterk het defect aanwezig is: (1) 
draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam; (2) vorstscheuren; (3) zonnebrand; (4) lijs-
ten; (5) waterloten; (6) wortelaanlopen; (7) kankergezwellen; (8) rot; (9) schimmels; 
(10) insectenaantastingen; (11) wildschade; (12) beschadiging door bosexploitatie en –
beheer; (13) andere. 

 

Cirkel A

4

 

Bomen met dbh 

 39 cm: 

 

Azimut (indien boom nog niet gepositioneerd was) 

                                               

53

  De  borsthoogte  leggen  we  vast  op  1.5  m.  In  de  discussienota  ‘Evaluatie  bemonsteringsmethodiek  en  variabelenkeuze 

eerste VBI’ lichten we toe waarom. 

54

 Zie ook discussienota ‘Houtkwaliteit’. 

55

 Meer toelichting in de discussienota ‘Houtkwaliteit’. 

 

background image

 

80 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 

Afstand t.o.v. middelpunt proefvlak (indien boom nog niet gepositioneerd was) 

 

Status levend/dood/omgevallen/geëxploiteerd 

 

Indien een deel van de boom is afgebroken, aangeven of het resterende stamstuk cylin-
der- of kegelvormig is 

 

Boomsoort 

 

Diameter op borsthoogte (twee loodrechte diametermetingen) 

 

Totale boomhoogte 

 
Voor houtkwaliteitsmetingen: idem als onder cirkel A

3

 

Observatiecirkel 

Categorische beoordeling toestand omgeving proefvlak: 

 

Landgebruik steekproefpunten buiten bos (door fouten of veroudering Boskartering): (1) 
niet-beboste natuur (grasland of akker); (2) landbouw (grasland of akker); (3) bewo-
ning; (4) industrie; (5) infrastructuur; (6) grondstofwinning; (7) stort; (8) andere. 

 

Verschijningsvorm niet-beboste steekproefpunten binnen bos: (1) open ruimte binnen 
bos; (2) kapvlakte; (3) boswegen; (4) gracht, beek, poel of vijver; (5) bewoning, recre-
atie of andere infrastructuur; (6) andere. 

 

Niet toegankelijk: indien steekproefpunt praktisch niet te bemonsteren is. 

 

Overwoekerd door bramen, rododendron of …: indien steekproefpunten overwoekerd 
zijn door bramen of rododendron waardoor het moeilijk is dendrometrische metingen uit 
te voeren. 

 

Bestandstype: (1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd naald-
hout. 

 

Bedrijfsvorm: (1) hooghout; (2) middelhout; (3) hakhout; (4) te bepalen (verjongingen, 
kap- en brandvlaktes). 

 

Mengingsvorm: (1) homogeen; (2) stamsgewijs; (3) groepsgewijs. 

 

Bestandsleeftijd / plantjaar (gelijkjarige bestanden): klassen van 20 jaar; > 160 jaar; 
ongelijkjarig. 

 

Ontwikkelingsfase: (1) jongwas; (2) dichtwas; (3) staakhout; (4) boomhout. 

 

Windworp: aanwezigheid van windworp in de observatiecirkel: ja/nee. 

 

Expositie: enkel voor nieuwe steekproefpunten. 

 

Helling: enkel voor nieuwe steekproefpunten. 

2.6.2.2

 

Bemonstering ontwortelde bomen en liggend hout 

Voor de bemonstering van ontwortelde bomen en het liggend hout (dood of levend) maken we 
gebruik van 

line interesct sampling

. U merkt op dat we dus ook de ontwortelde bomen (die bv. 

vooroverhangen en nog levend zijn) en alle liggend hout (inclusief omgevallen nog levende bo-
men) in beschouwing nemen. Echter zullen we tijdens de gegevensverwerking al deze elemen-
ten beschouwen als dood hout omdat ontwortelde bomen en liggende levende bomen hoe dan 
ook quasi altijd zullen afsterven. In het verdere verloop hebben we het dan ook over liggend 
dood hout als 

pars pro toto

 voor ontwortelde bomen en liggend hout. 

De lay-out van de bemonsteringsmethodiek geven we weer in Figuur 13. 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 81 

 

Figuur 13 

Line intersect sampling voor de bemonstering van ontwortelde bomen en het liggend hout (rechterillustratie 
komt uit Keller (2005)). 

 
Elke transectlijn vertrekt op een afstand van drie meter van het middelpunt van de cirkel

56

 en 

heeft een azimut van respectievelijk 0°, 120° en 240°. De horizontale lengte van de drie tran-
sectlijnen is 15 m zodat de totale transectlengte per steekproefpunt 45 m bedraagt. 
 
Wanneer de transectlijn door een dood-hout-element

57

 gaat, wordt gekeken of de gemiddelde 

diameter loodrecht op de lengteas van het dood-hout-element 

 7 cm. Indien ja, dan worden 

de twee loodrechte

58

 diameters opgemeten en ingegeven samen met de aanduiding van de 

boomsoortgroep (loofhout - naaldhout - onbekend). Indien het liggend-dood-hout element helt, 
wordt de hellingsgraad 

α

 ten opzichte van het horizontale vlak gemeten. 

Wanneer de gemiddelde diameter loodrecht op de lengteas < 7 cm nemen we het dood-hout-
element niet in beschouwing. 
 
Wanneer een dood-hout-element meer dan een maal door een transectlijn geraakt wordt, dan 
wordt net zo vaak een diametermeting uitgevoerd. Deze situatie stellen we voor in Figuur 14. 
 

                                               

56

 De reden waarom we een afstand nemen van drie meter tussen het middelpunt en het vertrekpunt van de transectlijn is 

dat standaard vele metingen gebeuren vanuit het centrum van de cirkel en de kans dat liggend dood-hout-elementen ver-
plaatst worden, is daardoor groot. Daarom stellen we ook voor om als eerste dood hout te meten en pas daarna de metin-
gen aan de levende bomen uit te voeren. 

57

 Merk op dat deze methode geen onderscheid maakt tussen ontwortelde bomen, liggende  bomen (een volledige boom die 

omgevallen is) of resten hout van een boom, het zgn. 

coarse woody debris

. Het volume liggend dood hout dat we a.d.h.v. 

LIS kunnen schatten is dus een optelsom van beide vormen dood hout en het onderscheid is achteraf niet meer uit de 
meetgegevens af te leiden. 

58

 Loodrecht op de lengteas en loodrecht op elkaar. 

 

background image

 

82 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Figuur 14 

Voorstelling van LIS in een bosbouwkundig proefvlak. Merk op dat wanneer een dood-hout-element meer dan 
een maal door een transectljin geraakt wordt, dan net zo vaak een dubbele diametermeting wordt uitgevoerd. 

 
Heel wat andere bijzondere situaties kunnen voorkomen. Zie hiervoor de discussienota ‘

Line 

intersect sampling

’ en de literatuur daarotrent. 

2.6.3

 

Bemonsteringsmethodiek vegetatieproefvlak 

De vegetatieopnames vinden plaats in de maanden april t.e.m. september. Bepaalde bosgebie-
den waarvan geweten is dat ze een typische voorjaarsflora hebben worden in het voorjaar be-
zocht en eventueel nog een tweede maal in de zomer. 
De vegetatie wordt bemonsterd binnen proefvlakken van 16m x 16m (zie Figuur 15)

59

 

Figuur 15 

Het proefvlak van 16m x 16m voor het inventariseren van de vegetatie en verjonging. 

 
                                               

59

 In de discussienota ‘Evaluatie bemonsteringsmethodiek en varaibelenkeuze eerste VBI’ geven we meer toelichting over 

de methode die gebruikt wordt voor het inventariseren van de vegetatie en de gegvens die daarbij ingezameld worden. 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 83 

Niet enkel van de kruidachtige vegetatie maar ook van de verjonging, struiken en bomen wordt 
de bedekking / abundantie geschat.  
Het inzamelen van de vegetatiegegevens gebeurt voor de drie vegetatielagen (conform 

Ground 

Vegetation Manual ICP-Forests

 (United Nations Economic Commission for Europe, 2007)): 

Kruidlaag: alle niet-houtige, en houtige flora < 0.5 m incl. zaailingen en afgevreten bomen 
Struiklaag: enkel houtige flora 

 0.5 m en < 6 m, incl. klimplanten 

Boomlaag: enkel houtige flora 

 6 m, incl. klimplanten 

 
Eerst wordt een vierkant proefvlak uitgezet van 2m x 2m. Hierin worden alle aanwezige soorten 
en de bijhorende vegetatielaag genoteerd. Vervolgens wordt de oppervlakte verdubbeld en wor-
den de nog niet opgenomen soorten genoteerd. Dat procedé herhaalt zich tot een oppervlakte 
van 16m x 16m. Ten slotte krijgen alle soorten een coëfficiënt die hun mate van voorkomen per 
vegetatielaag aangeeft. Dat is een gecombineerde schatting. Van elke soort wordt de bedekking 
geschat en bij een lage bedekking (< 5 %) wordt ook het aantal individuen (= abundantie) ge-
schat. Deze mate van voorkomen wordt geschat a.d.h.v. de getransformeerde schaal van 
Braun-Blanquet volgens van der Maarel (1979) (zie Tabel 30).  
 

Tabel 30 

De negen klassen (en hun betekenis) van de getransformeerde schaal van Braun-Blanquet volgens van der 
Maarel (1979). 

Klasse Betekenis 

r

 

zeer weinig (1 - 2) individuen in het proefvlak, bedekking kleiner dan 5 % 

+

 

weinig (3 - 20) individuen in het proefvlak, bedekking kleiner dan 5 % 

1

 

individuen talrijk (20 - 100), bedekking kleiner dan 5 % 

2

m

 

individuen zeer talrijk (ontelbaar), bedekking kleiner dan 5 % 

2

a

 

individuen willekeurig, bedekking 5 – 12.5 % 

2

b

 

individuen willekeurig, bedekking 12.5 - 25 % 

3

 

individuen willekeurig, bedekking 25 - 50 % 

4

 

individuen willekeurig, bedekking 50 - 75 % 

5

 

individuen willekeurig, bedekking 75 - 100 % 

2.6.4

 

Area decision method 

We gebruiken de 

area decision method

 om om te gaan met steekproefpunten waarvan het be-

monsteringsoppervlak op een grens of overgangssituatie valt. In deze sectie lichten we toe (1) 
wanneer we iets beschouwen als een grens- of overgangssituatie en (2) hoe we op het terrein 
de area decision method moeten toepassen. 

2.6.4.1

 

Grens- en overgangssituaties 

Tijdens de eerste VBI verplaatsten de veldwerkers in bepaalde gevallen het steekproefpunt, 
namelijk wanneer de bemonsteringsoppervlakte (Waterinckx & Roelandt, 2001): 

 

Gedeeltelijk buiten bos viel. 

 

Binnen meerdere strata viel of m.a.w. twee of meer bestanden omvatte die verschilden 
betreffende:  

o

 

De bedrijfsvorm (hooghout, hakhout, middelhout) 

o

 

Het bestandstype (loofbos, naaldbos, gemengd loofbos, gemengd naaldbos, te 
herbebossen, open ruimte binnen bos) of 

o

 

De sluitingsgraad (< 1/3, 1/3 - 2/3, > 2/3) 

 

Viel in een bestand dat niet voldeed aan de minimumvoorwaarden en het aansluitend 
bestand wel (zie § 2.2 en § 2.5.3). 

 

 

background image

 

84 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

Zoals reeds gesteld in § 2.5.3.3 zullen we steekproefpunten in de tweede en volgende VBI niet 
meer verschuiven. Daarenboven plaatsen we de reeds verschoven steekproefpunten terug op 
hun oorspronkelijke positie. 
 
Een grenssituatie treedt op wanneer we op de grens zitten tussen bos en niet-bos: 

 

Bos grenst aan ander landgebruik buiten het bos (weiland, akkerland, water, weg, be-
woning, industrie, andere infrastructuur, …). 

 

Binnen bos (volgens boskartering) grenst een bebost gebied aan een permanente open 
ruimte (bosweg, brandweg, speelweide, vijver, begraasd perceel, heideperceel, infra-
structuur, …). 

 
Een overgangssituatie treedt op wanneer we op de overgang of rand zitten tussen twee bosty-
pes: 

 

Loofhout - naaldhout - gemengd loofhout - gemengd naaldhout 

 

Hooghout - middelhout – hakhout 

 

Verschil in successiestadia: boomhout versus jongwas, dichtwas of staakhout 

 

Bebost perceel – kapvlakte of femelslag - verjonging 

 
Tijdens de hierboven vermelde grens- en overgangssituaties passen we de 

area decision me-

thod

 toe. In Figuur 16 geven we enkele voorbeelden van grens- en overgangssituaties. 

 

 

Figuur 16 

Situaties waarin we de area decision method toepassen: (A) grenssituatie tussen bos en weiland; (B) grenssi-
tuatie tussen bos en bewoning; (C) overgangssituatie tussen loodhout en naaldhout; (D) overgangssituatie 
tussen hooghout en jonge aanplant. 

2.6.4.2

 

Toepassing van de area decision method 

Bij de 

area decision method

 verdelen we een proefvlak (dat zich uitstrekt over een grens- of 

overgangssituatie) onder in twee subplots. We doen dat enkel voor de cirkelvormige geneste 
bosbouwkundige proefvlakken (dus staande bomen) maar niet voor de line intersect sampling 
en de vegetatieproefvlakken (zie discussienota ‘

Area decision method’

). 

Aan de subplots kennen we een proportioneel gewicht toe tussen 0 en 1 dat recht evenredig is 
met de relatieve oppervlakte van de subplot t.o.v. het totale proefvlakoppervlak (dat is stan-
daard 0.102 ha). In feite behandelen we steekproefpunten die op grenzen of overgangssituaties 
vallen dan als twee virtuele steekproefpunten. Elk van deze virtuele steekproefpunten telt als 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 85 

een  afzonderlijke observatie en geven we in als een afzonderlijke record in de databank. Het 
voordeel van deze procedure is dat we attribuutwaarden en oppervlaktes op een correcte wijze 
kunnen toekennen aan individuele bomen. Het nadeel is dat we de positie van de grenzen of 
randen moeten opmeten. Deze opname vraagt extra tijd en is onderhevig aan subjectieve be-
oordelingen wanneer bos gradueel overgaat in niet-bos of wanneer bostypes gradueel in elkaar 
overgaan. Ook kan na verloop van tijd de positie van de grenzen of randen wijzigen zodat we 
deze bij een volgend veldbezoek opnieuw moeten opmeten. 
 
Field-Map laat toe om de grenzen in te meten en zo direct van een steekproefpunt twee aparte 
records te maken in de databank (zie Figuur 17 en ook de discussienota Area decision method’). 
 

 

Figuur 17 

Met Field-Map kunnen we op het veld direct de grenslijnen intekenen. De ingemeten bomen worden - op basis 
van hun coördinaten - direct toegekend aan het juiste subplot (illustratie van Martin Cerny, IFER, pers. com., 
2008). 

 
Tot slot stellen we ons nog de vraag hoe we de bemonsteringsmethodiek voor het liggend dood 
hout (

line intersect sampling

, zie § 2.6.2.2) en voor de vegetatie (Braun-Blanquet methode, zie 

§ 2.6.3) kunnen combineren met de 

area decision method

.  

Bij de toepassing van 

line intersect sampling

 op grens- en overgangssituaties treden twee knel-

punten op: 

1.

 

De transectlijnen hebben een lengte van 15 m (ze reiken tot 18 m van het middelpunt) 
waardoor er geen overeenkomst is met de straal van de respectievelijke steekproefcir-
kels en dus de bemonsteringsmethodiek voor het staande hout. 

2.

 

Van het liggend dood hout wordt geen positie opgemeten. Dus we weten niet waar in 
het proefvlak de liggend-dood-hout elementen zich bevinden en dus tot welke subplot 
ze behoren. 

 
De problemen m.b.t. de 

line intersect sampling

 in combinatie met de 

area decision method

 zul-

len dus naar boven komen tijdens de gegevensverwerking en -analyse. We kunnen hierop anti-
ciperen door het volume liggend dood hout voor de twee subplots te berekenen als een propor-
tie van het totale berekende volume liggend dood hout en dit evenredig met het gewicht (tus-
sen 0 en 1, zie hierboven) dat we toekennen aan de subplots. Dat zal lokaal resulteren in een 
zekere fout maar deze ruis zal op een hoger niveau voor een groot deel uitgemiddeld worden 
overheen de verschillende steekproefpunten. Het gevolg is wel dat de volumeschattingen van 
het liggend dood hout iets minder precies zullen zijn. 
 
Wat betreft het vegetatieproefvlak is het onmogelijk om achteraf tijdens de gegevensverwerking 
de gegevens te verdelen over de twee subplots omdat we werken met gecombineerde schattin-
gen van aantallen (‘

r

’, ‘ ’ en ‘

1

’ in de schaal van Braun-Blanquet) en abundanties (‘

’, 

’, ‘

2

’, ‘

3

’, ‘

4

’ en ‘

5

’ in de schaal van Braun-Blanquet). Daarom zullen we de gegevens uit 

het vegetatieproefvlak gebruiken voor de twee subplots samen. Dat is te verantwoorden omdat 
kenmerken zoals soortensamenstelling van de vegetatie en een bostype niet wijzigen over een 
afstand van 16 meter. Daarbij komt dat in de Vlaamse bossen heel wat overgangszones aanwe-
zig zijn en dus is het goed om deze ook als zodanig op te nemen.  

+

2

m

2

a

b

 

background image

 

86 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

Een tweede probleem doet zich voor wanneer door het vegetatieproefvlak een verharde weg 
loopt of een ander oppervlak waarop geen vegetatie kan groeien (zie Figuur 18). Dan moeten 
de veldwerkers hun schattingen van de abundantie enkel uitvoeren over het oppervlak waarop 
effectief vegetatie kan groeien. De schattingen van de aantallen worden achteraf herrekend 
i.f.v. het aandeel oppervlak dat effectief bemonsterd kon worden. Om deze oppervlakte te kun-
nen berekenen is het nodig dat de veldwerkers het effectief bemonsterde oppervlak m.b.v. 
Field-Map inmeten. 
 

 

 

Figuur 18 

Wanneer door het vegetatieproefvlak een verharde weg of ander oppervlak loopt waarop geen vegetatie kan 
groeien, dan moeten de veldwerkers de schattingen van de abundantie enkel uitvoeren over de oppervlakte 
waarop effectief vegetatie kan groeien. De schattingen van de aantallen worden achteraf herrekend  
i.f.v. het aandeel oppervlak dat effectief bemonsterd kon worden. 

2.7

 

Kostenraming gegevensinzameling 

In de vorige paragrafen kwamen de verschillende aspecten van de gegevensinzameling aan bod 
Nu willen we kort de kosten ramen die gepaard met het veldwerk.  
In eerste instantie schatten we de kosten van het minimaal ontwerpscenario (zoals besproken in 
de vorige paragrafen) in termen van VTE’s. 
Daarna begroten we enkele modules die nog open waren, in het bijzonder wat betreft de steek-
proefgrootte. Hierbij maken we een afweging tussen de kosten (in termen van VTE’s) versus de 
baten (in termen van informatiewinst). 

2.7.1

 

Minimaal ontwerpscenario 

Om de kosten voor het veldwerk (in termen van VTE’s) te kunnen berekenen moeten we onder-
scheid maken tussen twee kostenbronnen: 

1.

 

De tijdsbesteding van de veldwerkers. 

2.

 

De tijdsbesteding voor de voorbereiding en ondersteuning van het veldwerk, het invoe-
ren en controleren van de meetgegevens, …: kortom de tijdsbesteding nodig voor de 
kwaliteitszorg van het meetnet. Deze VTE’s komen terecht bij andere personen dan de 
veldwerkers. 

 
Grosso modo kunnen we stellen dat de eerste kostenbron variabel is in functie van het aantal 
steekproefpunten en de tijdsbesteding per steekproefpunt. De tweede kostenbron is in grote 
mate een vaste basisinvestering en hangt minder af van de intensiteit van het veldwerk. Daar-

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 87 

 

om focussen we ons voor het minimaal ontwerpscenario en de modules op een raming van de 
eerste kostenbron. Een raming van de tweede kostenbron komt aan bod in de beleidssamenvat-
ting vooraan dit rapport. Hierin bespreken we ook de opstartkosten van het meetnet. 
 
M.b.t. de tijdsbesteding van een VTE veldwerker beschikken we over volgende schattingen: 

Aantal werkdagen per jaar 

200 

Aantal uren per dag 

 

7.6 

Aantal werkuren per jaar 

1520 

Aantal terreindagen per jaar 

144 

Aantal terreinuren per jaar 

1094 

 
Het ANB heeft drie veldteams ter beschikking van elk twee personen. We gaan er van uit dat 
een veldteam per dag dat ze op het veld zijn, gemiddeld vier steekproefpunten kan bemonste-
ren. In de beginfase (herlokaliseren steekproefpunten) zal dit aantal waarschijnlijk lager liggen 
Een jaar telt gemiddeld (12 terreindagen/maand x 12 maand =) 144 terreindagen. Vier steek-
proefpunten per terreindag resulteert in ca. 576 bezochte steekproefpunten per veldteam (= 2 
VTE’s) per jaar. Dat komt neer op 288 terreinbezoeken per VTE per jaar. De drie terreinploegen 
(= 6 VTE’s) kunnen per jaar (576 bezoeken/jaar/terreinploeg x 3 terreinploegen) 1728 terrein-
bezoeken afleggen.  
 
In het minimale ontwerpscenario moeten de veldwerkers in totaal ongeveer 2700 steekproef-
punten bemonsteren (zie eerste VBI). 
Elk steekproefpunt moeten ze in de periode oktober - maart een eerste maal bezoeken voor de 
dendrometrische metingen. Voor de inventarisatie van de vegetatie wordt elk steekproefpunt in 
de periode april - september een tweede en evt. derde maal (bv. in het geval van voorjaarsflora 
of wanneer in het voorjaar nog niet alle vegetatie herkenbaar is) bezocht. 
Dat resulteert gemiddeld in (2700 x 2.5 =) 6750 terreinbezoeken gespreid over tien jaar. Bijge-
volg vereist het minimale ontwerpscenario ongeveer 675 terreinbezoeken per jaar. Dat is gelijk 
aan (675 terreinbezoeken / 288 terreinbezoeken per VTE) 2.3 VTE per jaar. 
 
Aangezien het ANB nu standaard over 6 VTE’s beschikt, neemt bij het minimaal ontwerpscenario 
het veldwerk van de VBI ongeveer 40 % van de tijdsbesteding van de veldwerkers in. 

2.7.2

 

Steekproefgrootte 

M.b.t. de steekproefgrootte blijven twee modules over. 
 
 

Overbemonstering Natura 2000 boshabitattypes 

In § 2.5.2.2 hebben we besproken dat voor de opvolging van de staat van instandhouding van 
de Natura 2000 boshabitattypes de VBI ingezet zal worden. De methodologie van dit meetnet 
laat immers toe om de verschillende criteria die zijn opgesteld voor de beoordeling van de bos-
habitattypes op te volgen. Om twee redenen zullen we de boshabitattypes echter intensiever 
moeten bemonsteren: 

3.

 

De rapportage aan de Europese Commissie moet gebeuren met een cyclus van zes jaar. 
De cyclus van de tweede VBI is echter vastgelegd op tien jaar en zal dus langer duren. 

4.

 

Enkele boshabitattypes zijn zeldzaam en zullen waarschijnlijk overbemonsterd moeten 
worden (door een vernauwing van het steekproefgrid tot bv. 0.5km x 0.5km) om de 
kwaliteitsnorm van 171 steekproefpunten per boshabitattype te halen. Daarbij komt dat 
nog niet duidelijk is of het Vlaamse, Brussels Hoofdstedelijk en Waalse Gewest geza-
menlijk zullen rapporteren over de Belgisch Atlantische regio of dat het Vlaamse Gewest 
dat alleen zal doen. In het eerste geval komen ook steekproefpunten uit het Brusselse 
en Waalse Gewest beschikbaar waardoor we met de VBI veel minder moeten overbe-
monsteren. 

background image

 

88 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 

Kostenberekening: 

Een eerste schatting leert dat in de 

worst case scenario

 (geen samenwerking met Wallonië + 

zesjaarlijkse rapportage op basis van zesjaarlijks ingezamelde gegevens) de veldteams jaarlijks 
tussen de 50 – 100 steekproefpunten extra zullen moeten bemonsteren. Ieder steekproefpunt 
vereist twee terreinbezoeken (dendrometrie en vegetatie). Dus jaarlijks (gemiddeld 2.5 terrein-
bezoeken per steekproefpunt) 125 tot 250 extra terreinbezoeken. Een VTE veldwerker staat in 
voor 288 terreinbezoeken per jaar. De overbemonstering voor Natura 2000 vereist dus in de 
worst case scenario 0.4 tot 0.8 extra VTE per jaar. 
 
 

Heropmeten verschoven steekproefpunten 

Tijdens de eerste VBI zijn ongeveer 474 steekproefpunten verschoven (zie § 2.5.3.3).  
Uitgaande van de doelstellingen van de tweede VBI hoefde geen enkele van deze steekproef-
punten verschoven te worden. Daarom zullen we de verschoven steekproefpunten terugplaatsen 
op hun oorspronkelijke positie. 
Dat impliceert dat we voor een aanzienlijk aantal steekproefpunten (ongeveer 474 of 1/6e van 
de bemonsterde steekproefpopulatie) tijdens de tweede VBI geen gepaarde metingen zullen 
hebben. Met als gevolg een verlies aan onderscheidend vermogen. We kunnen hierop anticipe-
ren door ook de reeds verschoven steekproefpunten eenmalig opnieuw op te meten zodat we - 
op het niveau van de steekproefpopulatie - over voldoende steekproefpunten beschikken om 
een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over trends (bv. aanwas). 
 

Kostenberekening: 

Concreet betekent dit dat we tijdens de tweede VBI ongeveer 474 nieuwe steekproefpunten 
moeten lokaliseren en de 474 reeds verschoven steekproefpunten nog eenmalig opnieuw zullen 
opmeten. In globo dus 474 extra steekproefpunten t.o.v. de totale steekproefpopulatie. 
Een steekproefpunt staat gemiddeld gelijk met 2.5 terreinbezoeken (vegetatie en bosbouw). In 
totaal dus of 1200 extra terreinbezoeken of 120 extra terreinbezoeken per jaar. Dat kom over-
een met ongeveer 0.4 extra VTE per jaar. 
 
 

Samenvattend 

Het minimaal ontwerpscenario vereist 2.3 VTE per jaar. 
De overbemonstering van de Natura 2000 habitattypes zou in de worst case scenario 0.4 tot 0.8 
extra VTE per jaar vragen. 
Het heropmeten van de vershoven steekproefpunten komt overeen met ongeveer 0.4 extra VTE 
per jaar. 

2.7.3

 

Gebruik van Field-Map 

In de discussienota ‘Field-Map’ lichten we de mogelijkheden toe van Field-Map. Hier willen we 
kort ingaan op de belangrijke meerwaarde die Field-Map kan leveren voor de tweede én volgen-
de VBI’s. 
 
Een eerste groot knelpunt waarop Field-Map kan anticiperen is het exact herlokaliseren van de 
steekproefpunten. Dat zal voor de tweede VBI geen evidente zaak zijn. Enerzijds heeft de posi-
tie van de steekproefpunten een beperkte graad van nauwkeurigheid. Anderzijds zijn een aantal 
steekproefpunten verschoven. En tot slot is het niet eenvoudig om op basis van vooraf vastge-
legde coördinaten, afstands- en hoekmetingen een punt exact te herlokaliseren. Field-Map inte-
greert topografische kaarten en luchtfoto’s en laat toe om vanuit een referentiepunt (bepaald 
door GPS) uiterst exact (nauwkeurigheid van enkele meters) naar het centrum van het steek-
proefpunt te navigeren. Dat vereist dat we nu eenmalig alle steekproefpunten opnieuw zo 
nauwkeurig inmeten en de positie opslaan in de Field-Map database. Bij volgende meetcampag-

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 89 

 

nes zullen we hier ruimschoots de vruchten van plakken (in termen van tijdsbesteding en nauw-
keurige locatie van de steekproefpunten). Het bosreservatenteam van het INBO geniet reeds 
van dit voordeel. 
 
Een tweede groot knelpunt is het heridentificeren van de individuele bomen. Field-Map laat toe 
om op het veld de kenmerken van de bomen te koppelen aan de posities. Eenmaal een boom 
gepositioneerd is, kunnen de veldwerkers controleren of het effectief de boom is die ze voor 
ogen hebben. Het is ook mogelijk om op het scherm de boom aan te klikken (wanneer ze zeker 
zijn van de positie) en direct de meetgegevens in te lezen. Zonder Field-Map zal het heel wat 
tijd vragen om de individuele bomen te heridentificeren en hierbij geen fouten te maken. Zeker 
gezien het feit dat tussen de eerste en tweede meetcampagne een periode van 12 tot 22 jaar 
zal liggen. 
 
Een derde voordeel van Field-Map is dat door de eigen opbouw van de databank (in 

Project Ma-

nager

)  gepaarde metingen (zowel per boom als per steekproefpunt) direct gekoppeld worden 

aan de metingen uit de vorige meetcampagne. Dat laat enerzijds een betere foutencontrole toe. 
En anderzijds vereenvoudigt dat sterk de gegevensverwerking achteraf. 
 
Field-Map laat ook toe om op gestandaardiseerde wijze de area decison method toe te passen 
(zie § 2.6.4). Daarnaast is het mogelijk direct de gegevens als aparte steekproefpunten (met 
correcte toekenning van opschalingsfactoren en gewichten) in te geven zodat we deze stap tij-
dens de gegevensverwerking kunnen overslaan. 
 
Tot slot geven we nog aan dat gebruik van Field-Map d.m.v. verschillende modaliteiten zal re-
sulteren in een veel hogere kwaliteit van de ingezamelde gegevens (zie hiervoor discussienota 
‘Field-Map’). Ook zal het op termijn toelaten om op gestandaardiseerde wijze de gegevens in te 
zamelen en op te slaan in een robuuste databank. Indien we dat niet doen, bestaat het risico 
dat we iedere meetcampagne werken met andere methoden en databanken zodat na verloop 
van tijd vergelijking van de gegevens heel moeilijk wordt. Zeker omdat we in het geval van de 
VBI werken met gepaarde metingen op twee niveaus: enerzijds gepaarde steekproefpunten, 
anderzijds gepaarde individuele bomen. Om hier mee om te gaan hebben we een robuuste 
structuur nodig. 
 

Kostenberekening: 

Het ANB zal werken met drie veldteams die elk een Field-Map uitrusting behoeven. De totale 
investeringskost hiervoor is geraamd op ongeveer € 75 000 (inclusief BTW). Hierin zijn de mo-
dule voor de basisverwerking van de gegevens (Inventory Analyst), een driedaagse opleiding en 
helpdesk gedurende een jaar inbegrepen. Voor updates en onderhoud is het realistisch rekening 
te houden met een kost van 10 % per jaar. 

background image

 

90 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

3

 

Fase III: Plannen van de gegevensverwerking 

3.1

 

Inleiding 

Vanaf de start van de meetcampagne zal u als meetnetbeheerder geconfronteerd worden met 
grote hoeveelheden meetgegevens. Het doel van Fase III van de handleiding is het uitdenken 
van een strategie om een greep te krijgen op de gegevensstroom. Want tussen het inzamelen 
van de ruwe meetgegevens en het communiceren van de meetnetresultaten naar de eindge-
bruikers (zie Fase IV) bevindt zich een lange weg met verschillende tussenstations. Het uitden-
ken van deze strategie komt neer op een 

ex-ante evaluatie

, we maken immers een voorafspie-

geling van hoe u als meetnetbeheerder de gegevens zal verwerken en interpreteren en welke de 
te verwachten resultaten zijn. 
 
We bouwen Fase III van de handleiding op a.d.h.v. het schema voor de gegevensstroom (zie 
Figuur 19 op de volgende pagina). 
In eerste instantie (§ 3.2) denken we na over de opbouw van de databank waarin de meetge-
gevens opgeslagen moeten worden. Het is ook in dit stadium dat we een kwaliteitscontrole 
moeten uitvoeren op de binnenstromende gegevens. 
Deze ruwe meetgegevens (bv. diameter op borsthoogte en totale boomhoogte) moeten we om-
zetten naar analysevariabelen (bv. volume eik per ha) a.d.h.v. omrekenformules (bv. kubeer-
formule met twee ingangen) (§ 3.3.1.1 t.e.m. § 3.3.1.3). 
Het is a.d.h.v. de analysevariabelen (die we meestal moeten groeperen in logische eenheden, 
bv. per bostypegroep) dat we de meetvragen uit Fase II zullen beantwoorden. We doen dit 
m.b.v. technieken uit de statistiek en daarom zullen we werken met hypothesen en statistische 
testen (§ 3.3.2). In § 3.3.3 geven we toelichting bij enkele specifieke verwerkingstechnieken 
eigen aan gegevens uit een nationale bosinventaris en we benadrukken de mogelijkheden en 
het belang van 

mixed models

De resultaten van deze statistische testen moeten we vervolgens interpreteren. Hiervoor geven 
we enkele richtlijnen mee (§ 3.4). Pas na de interpretatie hebben we echt bruikbare informatie, 
i.e. informatie waarmee we naar de verschillende doelgroepen kunnen stappen. Hier stopt dan 
ook Fase III en begint Fase IV. In Fase IV (zie volgende hoofdstuk van deze handleiding) den-
ken we na hoe we op systematische wijze effectief de zes prioritaire vragen kunnen beantwoor-
den en welke rapportage- en communicatiestrategie we zullen volgen. 
 
Met dit deel van de handleiding willen we dus enerzijds enkele grote principes meegeven voor 
een kwaliteitsvolle gegevensopslag en -verwerking. Anderzijds focussen we op enkele speciale 
en specifieke verwerkingstechnieken zodat de gegevens optimaal benut kunnen worden. Hierbij 
zal het in bepaalde gevallen nodig zijn beroep te doen op een statisticus. 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 91 

 

Figuur 19 

Schematische weergave van de gegevensstroom. 

3.2

 

Een kwaliteitsvolle gegevensopslag 

Het is in Fase V (implementatie van het meetnet) dat de effectieve uitwerking van de databank 
aan bod komt. In deze sectie willen we een leidraad aanbieden op basis waarvan u en de data-
bankspecialist / statistisch programmeur in onderling overleg de databank kunnen uitwerken. 
 
Eerst en vooral willen we aangeven dat we moeten werken met een moederdatabank en een 
analysedatabank.  
In de moederdatabank (zie Figuur 20) stockeren we op een logische manier de meetgegevens. 
In een centrale tabel slaan we de beschrijvende kenmerken van het steekproefpunt op. Indien 
een steekproefpunt valt op een grens of een rand, wordt het opgesplitst in twee of meerdere 
subplots. Deze krijgen een apart subplotnummer dat gecombineerd met het steekproefpunt-
nummer resulteert in een uniek record in de hoofdlijst van steekproefpunten. Daar vermelden 
we ook wat de oppervlakte is van het subplot zodat een correcte opschaling en weging van de 
gegevens uit het subplot mogelijk wordt. 

 

background image

 

92 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

Daarnaast onderscheiden we vijf tabellen waarin we de gegevens opslaan van de bosbouwkun-
dige en vegetatiekundige terreinwaarnemingen. De link tussen de verschillende tabellen is het 
steekproefpuntnummer en (indien het steekproefpunt op een grens of rand valt) het subplot-
nummer. Enkel het bosbouwkundig proefvlak kunnen we opsplitsen in twee of meer subplots. 
De vegetatiegegevens worden altijd als een geheel verwerkt (zie discussienota ‘

Area decision 

method

’). Bijgevolg kennen we aan vegetatieproefvlakken ook geen subplotnummer toe. 

 
De module 

Project Manager

 van Field-Map (zie discussienota ‘Field-Map’) laat toe om vooraf de-

ze ganse databankstructuur uit te bouwen en op het terrein de gegevens (via de gebruiksvrien-
delijke interfacemodule Data Collector) direct in te voeren op de juiste plaats in de moederdata-
bank. Achteraf invoeren van de gegevens in de databank is dan niet meer nodig. 
 

 

Figuur 20 

Voorstel voor structuur van de moederdatabank van de tweede VBI met weergave van de belangrijkste tabel-
len en hun inhoud. 

 
Naast een moederdatabank voor de ruwe meetgegevens - die we altijd behouden als controle 
en startbasis - ontwerpen we ook een analysedatabank met verschillende thematische tabellen 
(gemaakt a.d.h.v. 

query’s

 op de ruwe meetgegevens uit de moederdatabank) die de verwerking 

van de analysevariabelen en de rapportage van de resultaten moeten faciliteren. 
De structuur van de analysedatabank (met thematische tabellen) kunnen we dus volledig af-
stemmen op de verwerking en rapportage van de analysevariabelen zonder gebonden te zijn 
aan de structuur van de moederdatabank. Deze is immers in eerste plaats gericht op de gege-
vensinvoer en omzetting van de ruwe gegevens naar analysevariabelen. 
De opsplitsing in tabellen is analoog aan het onderscheid dat we gemaakt hebben tussen de 
verschillende prioritaire vragen en heeft dus een inhoudelijke vertrekbasis: 

 

Karakterisering van het bosareaal 

 

Boomsoortensamenstelling 

 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 93 

 

 

Bestandsopbouw 

 

Indicatoren voor biodiversiteit 

 

Invloed milieuveranderingen op bosvegetatie 

 

Duurzaam bosbeheer en -gebruik 

 
De inhoud van deze tabellen komt overeen met de relevante analysevariabelen (zie § 3.3.1.3) 
van de verschillende thema’s. Dat faciliteert de gegevensverwerking, in het bijzonder wanneer 
deze doorheen de tijd herhaald moet worden, m.a.w. wanneer we gegevens uit opeenvolgende 
bosinventarissen willen vergelijken. Daarom is het goed om ook de databank van de eerste VBI 
om te vormen tot de hierboven beschreven structuren. 
We merken tot slot nog op dat Field-Map een uiterst interessante module is voor het invoeren 
en opslaan van de ruwe meetgegevens en de bijhordende kwaliteitscontrole. Echter bevelen we 
aan om de aanmaak van de analysedatabank en de verwerking van de gegevens gedeeltelijk 
buiten de omgeving van Field-Map uit te voeren. De core business van Field-Map is immers het 
geïntegreerd inzamelen en opslaan van meetgegevens. Voor de verwerking achteraf is het beter 
voor de meer complexe analyses terug te vallen op de generieke (en dus vrij toegankelijke) da-
tabanksystemen en verwerkingsprogramma’s (zie discussienota ‘Field-Map’). 

3.3

 

Kwaliteitsvolle gegevensverwerking 

Een kwaliteitsvolle verwerking van meetgegevens uit een meetnet vereist in eerste instantie een 
systematische aanpak. Anders dreigt u verloren te lopen in massa gegevens met allemaal ver-
schillende karakteristieken en van een verschillende kwaliteit. 
In deze sectie bespreken we de verschillende stappen en geven we richtlijnen mee om deze zo 
kwaliteitsvol mogelijk in te vullen. 
In § 3.3.1 geven we aan hoe u de meetgegevens van de meetcampagne kunt omvormen naar 
analysevariabelen en de kwaliteit kunt controleren. 
In de discussienota ‘Kwaliteitsvolle gegevensverwerking’ vindt u een overzicht van de belang-
rijkste technieken om de gegevens te verkennen. Deze gegevensverkenning is een fundamente-
le eerste stap in de analyse van de gegevens. Enkele eenvoudige technieken geven ons immers 
al heel wat informatie over de verdeling van de gegevens, de kerngetallen en we krijgen een 
eerste zicht op aanwezige effecten (verschillen tussen groepen en trends door de tijd) en corre-
laties in de databank. 
In § 3.3.2 bespreken we voor de verschillende meetvragen uit § 2.3 welke statische analyse-
technieken gebruikt moeten worden. 
Daarna (§ 3.3.3) gaan we dieper in op enkele specifieke en bijzondere verwerkingstechnieken, 
eigen aan een nationale bosinventaris. Hierbij bespreken we ook - op basis van buitenlandse 
voorbeelden - enkele interessante technieken voor het analyseren en weergeven van de gege-
vens 

3.3.1

 

Van meetgegevens naar analysevariabelen 

3.3.1.1

 

Overzicht ruwe meetgegevens 

3.3.1.1.1

 

Geografische en administratieve attribuutwaarden 

In de eerste plaats krijgt ieder steekproefpunt een uniek ID. Indien het bosbouwkundig cirkel-
vormig proefvlak in subplots wordt onderverdeeld, wordt de ID opgebouwd uit het steekproef-
puntnummer en het subplotnummer. 
Daarnaast kennen we aan elk steekproefpunt enkele geografische en administratieve attribuut-
waarden toe. 

background image

 

94 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 31 

Beschrijving van de geografische en administratieve attribuutwaarden en het bronmateriaal voor inzameling 
van de ruwe meetgegevens. 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Bron 

Kadastraal perceel 

Kadastraal perceelsnummer 

Kadaster 

Eigenaarcategorie 

(1) staat; (2) gewest; (3) provincie; (4) gemeente; (5) 
andere openbare instellingen; (6) privé 

Kadaster + gegevens ANB 
+ GIS-laag 

Provincie 

Vijf Vlaamse provincies 

Administratieve kaart 

Textuurklasse 

(1) geen gegevens; (2) zand; (3) lemig zand; (4) leem; 
(5) zandleem; (6) klei; (7) licht zandleem; (8) duin; (9) 
stenig; (10) veen; (11) zware klei 

Bodemkaart 

Fytogeografische regio 

Twaalf fytogeografische regio’s 

GIS 

Ecoregio Vijf 

ecoregio’s 

GIS 

Historiek 

Ferraris; Gereduceerd kadaster; Vandermaelen; militair 
cartografische kaart 1-2-3; topokaart van Nationaal Ge-
ografisch Instituut 1-2-3; Boskartering 1-2-…  

(Gedigitaliseerd) histo-
risch kaartmateriaal 

Lidmaatschap van bos-
groep 

(1) lid van bosgroep; (2) geen lid van bosgroep 

Gegevens  bosgroepen  en 
GIS 

Type beheer 

(1) geen of niet gekend; (2) via kapmachtiging; (3) via 
beperkt beheerplan; (4) via uitgebreid beheerplan in 
overeenstemming met CDB 

Gegevens ANB 

Ligging in VEN 

(1) gelegen in VEN; (2) niet gelegen in VEN 

GIS 

Ligging in SBZ 

(1) gelegen in SBZ; (2) niet gelegen in SBZ 

GIS 

Ligging in Natura 2000 
boshabitat 

(1) niet gelegen in Natura 2000 boshabitat; (2) 9120; 
(3) 9130; (4) 9160; (5) 9190; (6) 91E0 

GIS: habitakaarten Pae-
linckx 

et al.

 (2007) 

 
Eenmaal op het terrein kunnen zich problemen voordien bij het ruimtelijk exact herlokaliseren 
van de steekproefpunten uit de eerste VBI. Tijdens de eerste VBI is het exacte centrum van ie-
der steekproefpunt gemarkeerd met een koperen plaat onder de grond. Het zal echter niet altijd 
mogelijk zijn om deze koperen plaat (met een metaaldetector) terug te vinden. Een categori-
sche attribuutwaarde beschrijft de mogelijke situaties waarmee de veldwerkers geconfronteerd 
zullen worden. 
 

Tabel 32 

Verschillende categorieën en hun betekenis van het attribuut ‘herlokaliseren steekproefpunt’. 

Categorie Betekenis 

Koperen plaat niet gezocht / niet gevonden omdat het gebied nu geen bos meer is 

Koperen plaat teruggevonden 

Koperen plaat niet teruggevonden, maar het proefvlak en alle of de meeste individuele 
bomen zijn geïdentificeerd en gelokaliseerd. Het exacte middelpunt is opnieuw gepositi-
oneerd 

Nieuw steekproefpunt (dus niet bezocht tijdens eerste VBI) 

Het was niet mogelijk de koperen plaat terug te vinden en voldoende individuele bomen 
te identificeren en lokaliseren. Op de plaats waar het steekproefpunt theoretisch zou 
moeten leggen, is een nieuw permanent steekproefpunt geïnstalleerd 

 
Tot slot is het nodig om van de nieuwe steekproefpunten nauwkeurig de plaatsbepaling en ter-
reinomstandigheden in de databank in te geven. 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 95 

 

Tabel 33 

Plaatsbepaling en terreinomstandigheden van de nieuwe steekproefpunten. 

Variabele Eenheid 

X-coördinaat steekproefpunt 

UTM- of Lambertcoördinaten 

Y-coördinaat steekproefpunt 

UTM- of Lambertcoördinaten 

Expositie 

Afwijking t.o.v. het noorden (azimut, °) 

Helling 

Helling t.o.v. horizontale lijn (°) 

3.3.1.1.2

 

Bosbouwkundige meetgegevens 

Cirkel A

2

 

Bomen die staan binnen cirkel A

2

 met straal 4.5 m (= 64 are). 

 

Tabel 34 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens uit cirkel A

2

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

dbh < 7 cm en hoogte 

 2 m 

Aantal bomen per boom-
soort 

Numeriek 

 
 

Cirkel A

3

 

Bomen en hakhoutstoven die staan binnen cirkel A

3

 met straal 9 m (= 255 are). 

 

Tabel 35 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens aan gewone bomen uit cirkel A

3

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

dbh 

 7 cm en < 39 

cm 
 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Status 

(1) boom is levend; (2) boom is dood;  
Indien staande boom uit vorige meetcampagne niet meer 
aanwezig is: (3) boom is omgevallen; (4) boom is geëxploi-
teerd. Dan zijn meetvariabelen ‘Diameter op borsthoogte’ en 
‘Totale boomhoogte’ niet meer van toepassing’. 
Indien dode boom is afgebroken: (1) cylindervormig; (2) 
kegelvormig. 

Diameter op borst-
hoogte (twee lood-
rechte diametermetin-
gen) 

1 cm 

Totale boomhoogte 

0.5 m 

Stamhoogte eerste 
levende zijtak met 
dikte 

 2 cm 

0.5 m 

Elk x/1000

e

 exem-

plaar van een van de 
belangrijkste boom-
soorten (beuk, eik, 
populier, berk, grove 
den en Corsicaanse 
den) met dbh 

 25 

cm 

Takhoek eerste leven-
de zijtak met dikte 

 

10 cm 

(1) 0 tot 30°; (2) 30 tot 60°; (3) 

 60° 

Visuele schatting 
stamverloop 

(1) (nagenoeg) geen verloop; (2) zwak verloop; (3) sterk 
verloop 

Aanwezigheid defecten  (1) draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam; (2) vorst-

scheuren; (3) zonnebrand; (4) lijsten; (5) waterloten; (6) 
wortelaanlopen; (7) kankergezwellen; (8) rot; (9) schim-
mels; (10), insectenaantastingen; (11) wildschade; (12) be-
schadiging door bosexploitatie en –beheer; (13 andere 

 

background image

 

96 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 36 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens uit hakhoutstoven uit cirkel A

3

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

Coördinaten 

van 

centrum hakhout-
stoof 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Hakhoutstoof 

Status 

(1) stoof levend; (2) stoof is dood;  
Indien stoof uit vorige meetcampagne niet meer aanwezig 
is: (3) stoof is omgevallen; (4) stoof is geëxploiteerd. Dan 
zijn meetvariabelen ‘Diameter op borsthoogte’ en ‘Gemid-
delde hoogte hakhoutstoof’ niet meer van toepassing. 

Hakhoutstoof 

Diameter op borst-
hoogte (twee lood-
rechte diameterme-
tingen) 

1 cm 

dbh van alle telgen 
van de hakhout-
stoof 

Gemiddelde hoogte 
hakhoutstoof 

0.5 m 

Hakhoutstoof 

 
 

Cirkel A

4

 

Bomen die staan binnen cirkel A

met straal 18 m (= 1018 are). 

 

Tabel 37 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens uit cirkel A

4

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Boomcoördinaten 

Azimut (°) en afstand (0.1 m) tot middelpunt cirkel 

dbh 

 39 cm 

Boomsoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam - boomID 

Status 

(1) boom is levend; (2) boom is dood;  
Indien staande boom uit vorige meetcampagne niet 
meer aanwezig is: (3) boom is omgevallen; (4) 
boom is geëxploiteerd. Dan zijn meetvariabelen ‘Di-
ameter op borsthoogte’ en ‘Totale boomhoogte’ niet 
meer van toepassing’. 
Indien dode boom is afgebroken: (1) cylindervormig; 
(2) kegelvormig 

Diameter op borsthoogte 
(twee loodrechte diame-
termetingen) 

1 cm 

Totale boomhoogte 

0.5 m 

Stamhoogte eerste le-
vende zijtak met dikte 

 

2 cm 

0.5 m 

Elk x/1000

e

 

exemplaar van 
een van de be-
langrijkste 
boomsoorten 
(beuk, eik, po-
pulier, berk, 
grove den en 
Corsicaanse 
den) met dbh 

 

25 cm 

Takhoek eerste levende 
zijtak met dikte 

 10 cm 

(1) 0 tot 30°; (2) 30 tot 60°; (3) 

 60° 

Visuele schatting stam-
verloop 

(1) (nagenoeg) geen verloop; (2) zwak verloop; (3) 
sterk verloop 

Aanwezigheid defecten 

(1) draaigroei, scheef- of kromgegroeide stam; (2) 
vorstscheuren; (3) zonnebrand; (4) lijsten; (5) wa-
terloten; (6) wortelaanlopen; (7) kankergezwellen; 
(8) rot; (9) schimmels; (10), insectenaantastingen; 
(11) wildschade; (12) beschadiging door bosexploi-
tatie en –beheer; (13 andere 

 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 97 

Line intersect sampling 

Alle ontwortelde bomen en liggend hout (dood of levend) die vallen op snijpunt met een van de 
drie transectlijnen.  
 

Tabel 38 

Beschrijving van de bosbouwkundige meetgegevens van de transectlijnen voor ontwortelde bomen en liggend 
dood hout. 

Meetvariabele Eenheid 

Voorwaarden 

Loodrechte diametermeting 1 

1 cm 

1

2

7

2

d

d

cm

+

 

Loodrechte diametermeting 2 

1 cm 

Boomsoortbepaling 

(1) loofhout; (2) naaldhout; (3) onbekend 

Helling 

Hoek (°) die dood-hout-element maakt met 
horizontale lijn 

3.3.1.1.3

 

Bosbouwkundige attribuutwaarden 

Op basis van visuele observaties in een observatiecirkel met straal 36 m (= 4072 are), kennen 
we aan het steekproefpunt een aantal bosbouwkundige attribuutwaarden toe. 
 

Tabel 39 

Overzicht van de bosbouwkundige attribuutwaarde in de observatiecirkel (straal 36 m). 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Landgebruik steekproefpunten 
buiten bos 

(1) niet-beboste natuur; (2) landbouw (grasland of akker); (3) bewoning; 
(4) industrie; (5) infrastructuur; (6) grondstofwinning; (7) stort; (8) an-
dere 

Verschijningsvorm niet bebos-
te steekproefpunten binnen 
bos

 

(1) open ruimte binnen bos; (2) kapvlakte; (3) boswegen; (4) gracht, 
beek, poel of vijver; (5) bewoning, recreatie of andere infrastructuur; (6) 
andere 

Niet toegankelijk 

1 Indien steekproefpunten praktisch niet te bemonsteren zijn 

Overwoekerd door bramen, 
rododendron of … 

1 indien steekproefpunten overwoekerd zijn bramen, rododendron of an-
dere vegetatie waardoor het moeilijk is dendrometrische metingen uit te 
voeren 

Bestandstype 

(1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd naald-
hout 

Bedrijfsvorm 

(1) hooghout; (2) middelhout; (3) hakhout; (4) te bepalen (verjongingen, 
kap- en brandvlaktes);  

Mengingsvorm 

(1) homogeen; (2) stamsgewijs; (3) groepsgewijs 

Bestandsleeftijd / plantjaar 
(gelijkjarige bestanden) 

(1) tot (8) leeftijdsklassen van 20 jaar; (9) > 160 jaar; (10) ongelijkjarig  

Ontwikkelingsfase 

(1) jongwas; (2) dichtwas; (3) staakhout; (4) boomhout 

Windworp 

1 indien windworp aanwezig is in de observatiecirkel 

3.3.1.1.4

 

Vegetatiekundige meetgegevens 

Proefvlak van 16m x 16m (beginnend van 2m x 2m, telkens de oppervlakte verdubbelen, t.e.m. 
16m x 16m). 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

background image

 

98 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Tabel 40 

Overzicht van de vegetatiekundige meetgegevens. 

Meetvariabele Eenheid 

Plantensoort 

Latijnse naam – Nederlandse naam 

Vegetatielaag per planten-
soort 

(1) Kruidlaag: alle niet-houtige, en houtige flora < 0.5 m incl. zaailingen en 
afgevreten bomen; (2) Struiklaag: enkel houtige flora 

 0.5 m en < 6 m, 

incl. klimplanten; (3) Boomlaag: enkel houtige flora 

 6 m, incl. klimplanten 

Abundantie / bedekking per 
plantensoort per vegetatie-
laag 

Getransformeerde schaal van Braun-Blanquet volgens van der Maarel 
(1979): r, +, 1, 2m, 2a, 2b, 3, 4, 5 

3.3.1.1.5

 

Vegetatiekundige attribuutwaarden 

Op basis van visuele observaties in het vegetatieproefvlak van 16m x 16m kennen we aan het 
steekproefpunt een aantal vegetatiekundige attribuutwaarden toe. 
 

Tabel 41 

Overzicht van de vegetatiekundige attribuutwaarden. 

Beschrijving attribuut 

Categorieën 

Storende factoren voor 
classificatie bostypegroep 

(0) geen storende factoren; (1) in of nabij bospad; (2) in of nabij bos-
rand; (3) op of nabij bestandsrand; (4) op of nabij grens bostypegroe-
pen; (5) plaatselijke voedselaanrijking bodem; (6) plaatselijke versto-
ring bodem; (7) net gekapt of omgevormd of verjongd bestand; (8) 
andere 

Maximale hoogte kruidlaag 

In klassen van 10 cm 

3.3.1.2

 

Kwaliteitscontrole ruwe meetgegevens 

De meetgegevens moeten zo vlug mogelijk in de moederdatabank opgeslagen worden (bij Field-
Map gebeurt dit rechtstreeks). Alvorens de gegevens te verwerken is een eerste basiscontrole 
op de meetwaarden nodig. Hierbij gaat aandacht uit naar twee aspecten: 

 

Zijn er ontbrekende waarden? Zo ja, waaraan zijn deze te wijten? Besef goed dat u een 
ontbrekende waarde niet als een nulwaarde mag ingeven. Geef dit aan a.d.h.v. NA (‘not 
available’). 

 

Komen  extreme of zelfs onmogelijke cijfers voor in databank? Zijn deze te wijten aan 
meetfouten of invoerfouten? Is het nog mogelijk deze waarden te corrigeren? 

 
Deze controle kan plaatsvinden op het veld zelf (bv. via controlemechanismen in de veldcompu-
ter of de Data Collector van Field-Map) en de controle kan uitgevoerd worden nadat de gege-
vens in de moederdatabank zijn ingevoerd. Zo is het mogelijk om in de databank procedures in 
te bouwen die deze basiscontrole snel en efficiënt kunnen uitvoeren. Field-Map integreert de 
twee mogelijkheden. 
 
 

Ontbrekende waarden 

 
In bepaalde situaties is het niet mogelijk om bosbouwkundige metingen en/of inventarisatie van 
de vegetatie uit te voeren. De veldwerkers moeten a.d.h.v. attribuutwaarden aangeven waarom 
ze geen meetgegevens konden invoeren (zie § 3.3.1.1.3): 

1.

 

Het proefvlakoppervlak is niet bebost maar bevindt zich wel binnen bosgebied. A.d.h.v. 
een attribuutwaarde geven de veldwerkers aan wat de huidige landbedekking en land-
gebruik is waarbinnen het proefvlak valt. 

2.

 

De veldwerkers kunnen het proefvlak praktisch niet bereiken. Ze geven met een attri-
buutwaarde aan dat het proefvlak niet toegankelijk is. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

 99 

 

3.

 

De veldwerkers kunnen niet of slechts heel beperkt metingen in het proefvlak uitvoeren. 
Bv. indien het proefvlak overwoekerd is door rododendron is het moeilijk hoogtemetin-
gen uit te voeren. Dergelijke steekproefpunten worden benoemd met een attribuut-
waarde. 

 
Het is dus essentieel dat we in de databank geen NULL-waarde terugvinden maar een attri-
buutwaarde die aangeeft waarom geen of slechts in beperkte mate metingen zijn uitgevoerd. 
 
 

Extreme en onmogelijke meetgegevens 

 
In eerste instantie moeten we zorgen dat de veldwerkers op het terrein direct een signaal krij-
gen bij het invoeren van extreme of zelfs onmogelijke gegevens in de veldcomputer van Field-
Map. Dat is mogelijk op verschillende manieren. 

1.

 

Aangezien we werken met gepaarde metingen (zowel op het niveau van het steekproef-
punt als op het niveau van de individuele boom) is het mogelijk de nieuwe meetgege-
vens te vergelijken met de vorige. Zo kunnen we de metingen aan de bomen controle-
ren en onmogelijke waarden eruit filteren; bv. dode boom die levend wordt, of beuk die 
eik wordt, of een boom die kleiner of smaller wordt. Indien de veldwerkers in dergelijke 
gevallen een signaal krijgen, laat dat hen toe om te oordelen of ze nu een meetfout ge-
maakt hebben of dat de gegevens uit de vorige meetcampagne verkeerd waren. De 

Da-

ta Collector

 van Field-Map maakt het mogelijk om direct de gegevens uit de vorige 

meetcampagne aan te passen en bv. ook de positie van de bomen nauwkeuriger in te 
lezen. Daarnaast kunnen we ook de gegevens onderling vergelijken. Stel dat we een 
steekproefpunt hebben met een gemiddelde boomhoogte van 15 m (en kleine spreiding) 
en dat daar tegelijk een boom met een totale hoogte van 30 m voorkomt. De veldcom-
puter kan aangeven dat dit een extreme (maar niet onmogelijke) waarde is die gecon-
troleerd moet worden. 

2.

 

Anderzijds kunnen we ook een controle uitvoeren op het niveau van het steekproefpunt. 
De 

Data Collector

 van Field-Map laat toe om direct de gegevens uit de twee meetcam-

pagnes (1e en 2e VBI) te vergelijken en de gemiddelde aanwas te berekenen. Indien 
deze bv. onder een bepaalde waarde ligt (bv. 2 m³/ha/jaar) kan de Data Collector aan 
de veldwerkers een signaal geven. Zij moeten dan nagaan of ze evt. een fout gemaakt 
hebben (bv. bepaalde bomen niet opgemeten). 

3.

 

Indien de metingen gebeuren in extreme of moeilijke omstandigheden

60

 (bv. mist, 

zompige grond, dichte onderbegroeiing, …) moet dit bewaard worden in de databank. 
Dat laat toe om achteraf de kwaliteit van de gegevens te controleren en evt. extreme 
waarden te verklaren. 

 
Naast de controle op het terrein zelf is het aan te raden om de kwaliteit van de gegevens na 
invoer in de databank te controleren. Dat kan door in de databank automatische procedures in 
te bouwen die deze basiscontrole snel en efficiënt kunnen uitvoeren. Hiertoe dient u wel een 
goed zicht te hebben op het waardebereik van de meetgegevens. Zo zal een signaal gegeven 
worden wanneer een steekproefpunt bv. een negatieve aanwas heeft.  
Een andere vorm van controle is het visueel bekijken van de gegevens (bv. a.d.h.v. een boxplot 
of bivariate controle, zie discussienota ‘Kwaliteitsvolle gegevensverwerking’) om zo uitbijters te 
identificeren en te controleren. Het is immers mogelijk dat een fout is opgetreden na conversie 
van de gegevens (zie volgende § 3.3.1.3). Of dat bepaalde terreincondities (zie hierboven) goe-
de metingen bemoeilijkt hebben. Het archiveren van deze gegevenskwaliteit is dus essentieel 
om achteraf de kwaliteit van de gegevens te controleren en evt. extreme waarden te verklaren 
en te corrigeren. 
                                               

60

 Het is ook nodig om een algemene richtlijn op te stellen dat tijdens extreme weersomstandigheden (bv. hevige wind, 

regen, sneeuwval, hagel, …) geen metingen mogen uitgevoerd worden omdat deze nooit dezelfde kwaliteit zullen hebben 
als metingen uitgevoerd onder normale weersomstandigheden. 

background image

 

100 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

 
Indien na controle en bespreking van een onmogelijke waarde (bv. steekproefpunt met volume 
> 1000 m³/ha) blijkt dat het niet mogelijk is om op basis van de meetgegevens de waarde te 
corrigeren, dan resten ons twee mogelijkheden. Ofwel wordt besloten om het steekproefpunt 
opnieuw op te meten. Ofwel wordt een 

missing value

 ingevoerd in de databank. 

3.3.1.3

 

Van meetgegevens naar analysevariabelen 

In deze paragraaf geven we een overzicht van de benodigde analysevariabelen om een ant-
woord te kunnen geven op de verschillende prioritaire vragen (zie § 1.1) en de daaruit afgeleide 
meetvragen (zie § 2.3). Het is op basis van de meetvragen dat we de analysevariabelen om-
schrijven. We lijsten de analysevariabelen dan thematisch op (per prioritaire vraag) wat bete-
kent dat eenzelfde analysevariabele kan voorkomen onder meerdere thema’s. 
In de bijlage ‘Berekening analysevariabelen’ geven we de omrekenformules weer die aantonen 
hoe u de ruwe meetgegevens (zie § 3.3.1.1) kunt omzetten naar de analysevariabelen. 

3.3.1.3.1

 

Toestand en evolutie karakteristieken bosareaal 

Tabel 42 

Analysevariabelen voor de prioritaire vraag 'Toestand en evolutie karakteristieken bosareaal'. 

Id Analysevariabele Eenheid 

Oppervlakte bos in Vlaanderen 

50 ha 

Oppervlakte bos in Vlaanderen met een bepaald karakteristiek 

50 ha 

Aandeel bos in Vlaanderen met een bepaald karakteristiek 

Aandeel uitheemse boomsoorten 

Aandeel nieuwe beboste oppervlakte t.o.v. 1

e

 VBI 

Aandeel ontboste oppervlakte t.o.v. 1

e

 VBI 

Aandeel bis op bosrand (intern of extern) 

Aandeel bos in overgangssituatie 

Aandeel niet toegankelijk bos 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

101 

 

3.3.1.3.2

 

Toestand en evolutie boomsoortensamenstelling 

Tabel 43 

Analysevariabelen voor de prioritaire vraag 'Toestand en evolutie boomsoortensamenstelling'. 

Id Analysevariabele 

Eenheid 

10 Grondvlak 

levende 

boom 

m² 

11 Volume 

levende 

boom 

m³ 

12 Grondvlak 

hakhoutstoof 

m² 

13 Volume 

hakhoutstoof 

m³ 

 

 

 

14 Bestandsgrondvlak 

levend 

hout 

m²/ha 

15  Bestandsvolume levend hout 

m³/ha 

16  Bestandsvolume hakhout in hakhoutbestand 

m³/ha 

 

 

 

17 Stamtal 

per 

boomsoort 

n/ha 

18 Stamtal 

per 

bestand 

n/ha 

 

 

 

19  Aandeel grondvlak, volume of stamtal 

 

 

 

20  Gemiddelde lopende jaarlijkse aanwas individuele boom  m³/jaar 
21  Gemiddelde lopende jaarlijkse bestandsaanwas 

m³/ha/jaar 

 

 

 

22  Kans op voorkomen verjonging 

23  Abundantie verjonging per boomsoort 

Braun-Blanquet schaal 

24  Totale abundantie verjonging per steekproefpunt 

Braun-Blanquet schaal 

 

 

 

25  Bestandstype 

Loofhout - naaldhout - gemengd 
loofhout - gemengd naaldhout 

3.3.1.3.3

 

Toestand en evolutie bestandsopbouw 

Tabel 44 

Analysevariabelen voor de prioritaire vraag ‘Toestand en evolutie bestandsopbouw’. 

Id Analysevariabele 

Eenheid 

26  Aandeel bestandstype 

% aan (1) loofhout; (2) naaldhout; (3) gemengd loofhout; (4) gemengd 
naaldhout 

27  Aandeel bedrijfsvorm 

% aan (1) hooghout; (2) middelhout; (3) hakhout; (4) te bepalen (ver-
jongingen, kap- en brandvlaktes); 

28  Aandeel ontwikkelingsfase 

% aan (1) te bepalen (kap- en brandvlaktes); (2) jongwas; (3) dichtwas; 
(4) staakhout; (5) boomhout; (6) niet van toepassing (open ruimte bin-
nen bos) 

29  Aandeel mengingsvorm 

% aan (1) stamsgewijs; (2) groepsgewijs; (3) homogeen 

30  Verdeling bestandsleeftijd 

% aan (1) tot (8) leeftijdsklassen van 20 jaar; (9) > 160 jaar; (10) onge-
lijkjarig  

31  Aandeel windworp 

% steekproefpunten waarin windworp aanwezig is 

32 Aandeel overwoekerd door 

bramen of rododendron of … 

% steekproefpunten dat overwoekerd is door bramen of rododendron 

 
 
 
 

background image

 

102 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

3.3.1.3.4

 

Toestand en evolutie enkele indicatoren voor biodiversiteit 

1. 

Diversiteit aan houtachtige en kruidachtige vegetatie 

 

Tabel 45 

Analysevariabelen voor het facet ‘Diversiteit aan houtachtige en kruidachtige vegetatie’. 

Id Analysevariabele  Eenheid 

Oppervlakte bos met een bepaald karakteristiek 

50 ha 

33  Aantal aanwezige boomsoorten 

Numeriek 

34  Aantal aanwezige platensoorten 

Numeriek 

35  Kans op aanwezigheid van 2 of meer zeldzame platensoorten 

36 Soortenrijkdom 

Numeriek 

37  Simpson’s index voor diversiteit  

Numeriek 

38  Simpson’s reciproce index 

Numeriek 

39  Index van Shannon-Wiener 

Numeriek 

 
 

2. 

Natuurlijkheid van de houtachtige en kruidachtige vegetatie 

 

Tabel 46 

Analysevariabelen voor het facet ‘Natuurlijkheid van de houtachtige en kruidachtige vegetatie’. 

Id Analysevariabele 

Eenheid 

40  Bosoppervlakte gedomineerd door geïntroduceerde boomsoorten 

50 ha 

41  Kans op aanwezigheid van inheemse / uitheemse / invasieve boomsoor-

ten 

42  Grondvlakaandeel van inheemse / uitheemse / invasieve boomsoorten 

43  Abundantie verjonging van inheemse / uitheemse / invasieve boomsoor-

ten (indien verjonging voorkomt) 

Braun-Blanquet 
schaal 

44  Abundantie uitheemse plantensoorten in de kruidlaag 

Braun-Blanquet 
schaal 

 
 

3. 

Structuurrijkdom van de bestanden 

 

Tabel 47 

Analysevariabelen voor het facet ‘Structuurrijkdom van de bestanden’. 

Id Analysevariabele 

Eenheid 

45  Positioning Index van Clark and Evan 

Numeriek 

46  Mixture Index van Von Gadow 

Numeriek 

47 Height differentiation Index van Von 

Gadow 

Numeriek 

30  Verdeling bestandsleeftijden 

% aan (1) tot (8) leeftijdsklassen van 20 jaar; (9) 
> 160 jaar; (10) ongelijkjarig  

48  Aandeel ongelijkjarige bestanden 

49  Kans op aanwezigheid van de drie vegeta-

tielagen (kruid-, struik- en boomlaag) 

 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

103 

 

4. 

Aanwezigheid van structurele elementen die biodiversiteit bevorderen 

 

Tabel 48 

Analysevariabelen voor het facet ‘Aanwezigheid van structurele elementen die biodiversiteit bevorderen’. 

Id Analysevariabele  Eenheid 

50 

Kans op aanwezigheid dood-hout-element 

51 

Grondvlak staande dode boom 

m² 

52 

Volume intacte staande dode boom 

m³ 

53 

Volume afgekraakte staande dode boom 

m³ 

54 

Bestandsgrondvlak staand dood hout 

m²/ha 

55 

Bestandsvolume staand dood hout 

m³/ha 

56 

Bestandsgrondvlak liggend dood hout 

m²/ha 

57 

Bestandsvolume liggend dood hout 

m³/ha 

58 

Aandeel dood hout (stand + liggend) 

59 

Kans op aanwezigheid staande dikke boom 

 
 

5. 

(Sub)scores van de Authenticiteitsindex 

 

Tabel 49 

Analysevariabelen voor de (sub)scores van de Authenticiteitsindex. 

Id Analysevariabele  Eenheid 

60 

Score globale Authenticiteitsindex 

Numeriek 

61 

Score pijler houtige vegetatie 

Numeriek 

62 

Score pijler kruidlaag 

Numeriek 

63 

Score pijler dood hout 

Numeriek 

64 

Score pijler bosstructuur 

Numeriek 

3.3.1.3.5

 

Impact milieuveranderingen op de samenstelling van de bosvegeta-
tie 

Tabel 50 

Analysevariabelen voor de prioritaire vraag ‘Impact van milieuveranderingen op de samenstelling van de bos-
vegetatie’. 

Id Analysevariabele 

Eenheid 

65 

Gemiddelde Ellenberg-L, -V, -R en –N indicatorwaarde 

Numeriek 

66 

Verdeling van de Ellenberg-L, -V, -R en –N indicatorwaarde 

Spreidingsgegevens 

67 

Gemiddelde abundantie van individuele plantensoorten? 

Braun-Blanquet schaal 

3.3.1.3.6

 

Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –gebruik 

1. 

Analysevariabelen voor de ‘Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer 
en -gebruik 

 

Tabel 51 

Analysevariabelen voor de prioritaire vraag ‘Toestand en evolutie van het duurzaam bosbeheer en –gebruik'. 

Id Analysevariabele Eenheid 

21 

Gemiddelde lopende jaarlijkse bestandsaanwas 

m³/ha 

68 

Grondvlakaandeel inheemse struik- en boomsoorten 

69 

Aandeel bestanden gedomineerd door inheemse struik- en boomsoorten  % 

48 

Aandeel ongelijkjarige bestanden 

70 

Totale C-opslag 

ton CO

2

-equivalenten 

71 Gemiddelde 

C-opslag 

ton 

CO

2

-equivalenten/ha 

 

background image

 

104 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

Merk op dat we in § 2.3.6 in Tabel 22 in het kader van het economisch facet van duurzaam 
bosbeheer ook meetvragen geformuleerd hebben over de kwaliteit van het hout aanwezig in de 
Vlaamse bossen. Deze meetvragen willen we beantwoorden m.b.v. transferfuncties. Onder een 
transferfunctie verstaan we een functie die een aantal kwantitatieve boomvariabelen transfe-
reert in een of enkele (al dan niet numerieke) houtkwaliteitsmaten. Op deze manier kunnen we 
meer specifieke vragen beantwoorden met meer gedetailleerde functies. Bv. stel dat de eisen 
t.o.v. een bepaalde gebruikstoepassing (bv. meubelhout) veranderen doorheen de tijd wegens 
gewijzigde vraag en aanbod. Bedoeling is om per boom en gemiddeld voor Vlaanderen tot een 1 
– 2 – 3 – 4 classificatie te komen i.f.v. de geschiktheid voor een bepaalde toepassing.  
Het concreet uitwerken van deze transferfuncties wordt vershoven naar later omdat dit binnen 
enkele jaren beter mogelijk zal zijn wanneer de projecten ‘SimForTree’ en ‘Boom- en houtkwali-
teitsonderzoek voor de Vlaamse bos-houtkolom’ verder gevorderd zijn. 
Tot zover is het nog niet mogelijk om hier de analysevariabelen weer te geven en dus ook niet 
de omrekenformules (transferfuncties) die nodig zijn om vanuit de meetgegevens analysevaria-
belen te berekenen. 
Meer toelichting over dit alles vindt u in de discussienota ‘Houtkwaliteit’. 
 
 

2. 

Indicatoren van de Improved Pan-European Indicators for Sustainable Forest 
Management 

 

Tabel 52 

Analysevariabelen voor de indicatoren van de Improved Pan-European Indicators for Sustainable Forest Ma-
nagement. 

Id Indicator 

Analysevariabele 

Eenheid 

72 

1.1  Forest area 

Opp. bos (absoluut en relatief) per bostypegroep 

50 ha - % 

73 + 
74 

1.2  Growing stock 

Totale en gemiddelde houtvooraad per bostype-
groep 

m³ - m³/ha 

30 + 
75 

1.3  Age structure and/or 
diameter distribution 

Verdeling bestandsleeftijden – Aantal diameterklas-
sen per bostypegroep 

% - numeriek 

76 

1.4  Carbon stock 

C-voorraaad per bostypegroep 

ton CO

2

 - equiva-

lenten per ha 

77  3.1  Increment and 

fellings 

Gemiddelde lopende jaarlijkse bestandsaanwas per 
bostypegroep 

m³/ha/jaar 

78 

4.1  Tree species compo-
sition 

Opp. bos absoluut volgens aantal aanwezige bom-
soorten en per bostypegroep 

50 ha 

79 

4.2  Regeneration 

Opp. bos absoluut en relatief per verjongingstype 
(voor gelijkjarige en ongelijkjarige bestanden) 

50 ha 

40 

4.4  Introduced tree spe-
cies 

Bosoppervlakte gedomineerd door geïntroduceerde 
boomsoorten 

50 ha 

80 

4.5 Dead wood 

Bestandsvoluime liggend en stand dood hout per 
bostypegroep 

m³/ha 

3.3.2

 

Statistische analyse van de meetvragen 

Voor elke prioritaire vraag hebben we in § 2.3 meerdere meetvragen omschreven. Deze meet-
vragen diepen we nu verder uit tot toetsbare hypothesen en we geven aan met welke statisti-
sche analysetechnieken we de hypotheses kunnen testen. Omtrent het gebruik van deze hypo-
thesen willen we volgende richtlijnen meegeven: 

 

We hebben deze hypotheses in de eerste plaats opgesteld om de informatiebehoeften 
(zoals  omschreven  in  Fase  I  en  II)  verder  te  kwantificeren. Deze voorafspiegeling van 
de gegevensverwerking biedt de toekomstige gegevensbeheerder een leidraad voor het 
uitvoeren en (thematisch) structureren van de gegevensverwerking.  

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

105 

 

Het is niet de bedoeling deze hypothesen te interpreteren in een strikt wetenschappelij-
ke context. De VBI staat ten dienste van het beleid en elk van de geformuleerde hypo-
thesen zal helpen om de dataset van de tweede en volgende bosinventarissen maximaal 
uit te diepen in functie van de vragen die leven vanuit het bosbeleid. 

 

Naast het toetsen van hypothesen, is ook het berekenen van betrouwbare schatters een 
belangrijke doelstelling die niet uit het oog mag verloren worden. Voor elke schatting 
moeten standaardfouten en/of betrouwbaarheidsintervallen gerapporteerd worden.  

 

Vanaf de tweede VBI zal het mogelijk zijn trends te detecteren en vanaf de derde VBI 
zullen we darbij niet enkel kijken naar het verschil tussen twee opeenvolgende inventa-
rissen. In § 3.3.3.1 lichten we toe hoe we de gegevens uit een continue bosinventaris 
kunnen verwerken a.d.h.v. 

mixed models

. Het gebruik van 

mixed models

 is trouwens 

ook al mogelijk vanaf de tweede VBI en raden we ten sterkste aan.  

 

In deze paragraaf omschrijven we voor de eenvoud en begrijpbaarheid van de tabellen 
de hypothesen nog m.b.v. de klassieke univariate statistische technieken. Hiermee gaan 
we voor bepaalde aspecten kort door de bocht omdat niet alle variabelen normaal ver-
deeld zijn, omdat de gegevens gecorreleerd zijn in tijd en ruimte, omdat we aan multi-
ple testing doen, … Het gebruik van mixed models (zie § 3.3.3.1) anticipeert voor een 
groot deel op deze technische knelpunten. En in de discussienota ‘Kwaliteitsvolle gege-
vensverwerking’ komen ook enkele finesses van statistische gegevensverwerking (zoals 
modelbouw, analyse van categorische gegevens, generalized linear models, …) aan bod. 

 

Vaak stellen we de Pearson’s 

χ

²-test voor wanneer we een vergelijking willen maken 

(tussen de eerste en tweede VBI) van de verdeling van de steekproefpunten over ver-
schillende categorieën. De nul- en alternatieve hypothese formuleren we dan als H

0

 p

i

 = p

j

; respectievelijk H

a

( , )

i j

( , )

i j

 p

i

 

 p

j

. Als teststatistiek hebben we dan bij H

0

2

w

2

,2

α

χ

χ

=

 en bij H

a

2

2

,2

w

α

χ

χ

. Deze informatie geven we niet telkens weer in de tabel-

len. 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

background image

 

106 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

3.3.2.1

 

Toestand en evolutie karakteristieken bosareaal 

Tabel 53 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de karakteristieken van 
het bosareaal. 

Hypothese Techniek 

Is het aandeel van de drie eigenaarcategorieën gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel van de bosoppervlakte van de vijf provincies gelijk of 
verschillend t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel homogene bestanden gelijk of verschillend t.o.v. de eer-
ste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel homogene dennenbossen gelijk of verschillend t.o.v. de 
eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel populierenplantages gelijk of verschillend t.o.v. de eer-
ste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel bestanden gedomineerd door uitheemse boomsoorten 
gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel van gemengde bestanden op basis van inheemse en 
standplaatsgeschikte boomsoorten in bossen met een beheerplan gelijk 
aan of groter dan 20 %? H

0

: p < 20 %; H

a

: p 

 20 % 

Vergelijking binomiale ver-
deling t.o.v. doelstelling 

Is voor elk van de bostypegroepen het aandeel in de totale populatie 
gelijk gebleven of veranderd t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 

p

1

 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Bevindt het aandeel open plekken (in gewestbossen en openbare bos-
sen) zich tussen de 5 en 15 % of niet? H

0

: p = 5 - 15 %; H

a

: p < 5 % 

of > 15 % 

Vergelijking binomiale ver-
deling t.o.v. doelstelling 

Is het aandeel steekproefpunten op een bestandsrand (intern of extern) 
gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel steekproefpunten in een overgangssituatie gelijk of ver-
schillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

Is het aandeel niet-toegankelijke steekproefpunten gelijk of verschil-
lend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee binomiale 
verdelingen 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

107 

 

3.3.2.2

 

Toestand en evolutie boomsoortensamenstelling 

Tabel 54 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de boomsoortensamen-
stelling. 

Hypothese Techniek 

Is voor elk van de 10 belangrijkste boomsoorten het gemiddeld stamtal 
gelijk gebleven of veranderd t.o.v. 1

e

 VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdige gepaarde t-test 

Is voor elk van de 10 belangrijkste boomsoorten het gemiddelde pro-
centuele aandeel in het totale grondvlak/volume gelijk gebleven of ver-
anderd t.o.v. 1

e

 VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdige gepaarde t-test 

Is voor elk van de 5 belangrijkste boomsoorten het aandeel aan homo-
gene en heterogene bestanden gelijk gebleven of veranderd t.o.v. 1

e

 

VBI? ? 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het gemiddeld grondvlakaandeel aan inheemse loofbomen in steek-
proefpunten die tijdens de eerste VBI in homogene exotenbestanden 
lagen gelijk aan of verschillend van 30 %? H

0

: x = 30 %; H

a

: x 

 30 % 

Tweezijdige t-test t.o.v. doel-
stelling 

Is het gemiddeld grondvlakaandeel aan inheemse boomsoorten in de 
totale steekproefpopulatie gelijk aan verschillend van 80 %? H

0

: x = 80 

%; H

a

: x 

 80 % 

Tweezijdige t-test t.o.v. doel-
stelling 

Is de kans op voorkomen en de gemiddelde abundantie van NV (als NV 
voorkomt) van de 5 belangrijkste boomsoorten gelijk aan of verschillend 
van de kans en abundantie tijdens de eerste VBI? Kans: H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

p

2

 

 p

1

. Abundantie: H

0

: ab

2

 = ab

1

; H

a

: ab

2

 

 ab

1

 

Kans: vergelijking twee binomi-
ale verdelingen 
Abundantie: tweezijdig gepaar-
de t-test 

Is de kans op voorkomen en de gemiddelde abundantie van NV (als NV 
voorkomt) van invasieve boomsoorten (i.h.b. A. vogelkers) gelijk aan of 
verschillend van de kans en abundantie tijdens de eerste VBI? Kans: H

0

p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

. Abundantie: H

0

: ab

2

 = ab

1

; H

a

: ab

2

 

 ab

1

 

Kans: vergelijking twee binomi-
ale verdelingen 
Abundantie: tweezijdig gepaar-
de t-test 

3.3.2.3

 

Toestand en evolutie bestandsopbouw 

Tabel 55 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de bestandsopbouw. 

Hypothese Techniek 

Is het aandeel loofhout, naaldhout, gemengd loofhout en gemengd 
naaldhout gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel hooghout, middelhout en hakhout gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel jongwas, dichtwas, staakhout en boomhout gelijk of 
verschillend t.o.v. de eerste VBI?  

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel stamsgewijs, groepsgewijs en homogeen gelijk of ver-
schillend t.o.v. de eerste VBI?  

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is het aandeel van de verschillende bestandsleeftijdsklassen (+ onge-
lijkjarig) gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI?  

Pearson’s 

χ

²-test 

 

Is de verdeling van de bestandsleeftijden van de homogene bestan-
den van de 5 belangrijkste boomsoorten gelijk of verschillend t.o.v. 
de eerste VBI?  

Pearson’s 

χ

²-test 

 

In welk aandeel van de steekproefpunten is windworp aanwezig? 

Binomiale 

kansschatting 

(gemiddelde en foutmarge) 

Welk aandeel van de bestanden is overwoekerd door bramen of rodo-
dendron of …? 

Binomiale kansschatting 
(gemiddelde en foutmarge) 

 
 

background image

 

108 

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

www.inbo.be 

 

3.3.2.4

 

Toestand en evolutie indicatoren voor biodiversiteit 

Tabel 56 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de diversiteit aan hout-
achtige en kruidachtige vegetatie (voor de volledige doelpopulatie en per bostypegroep). 

Hypothese Techniek 

Is het aandeel steekproefpunten geordend volgens het aantal aanwezige 
boomsoorten

61

 gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test met 

x het aantal klassen 
van aantal boomsoor-
ten                             

Is het gemiddeld aantal plantensoorten gelijk of verschillend t.o.v. de eerste 
VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde 
t-test 

Is de kans op aanwezigheid van 2 of meer zeldzame plantensoorten per ve-
getatieproefvlak gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bi-
nomiale verdelingen 

Is de gemiddelde indexwaarde van Simpson gelijk of verschillend t.o.v. de 
eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde 
t-test

62

 

Is de gemiddelde indexwaarde van Shannon-Wiener gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde 
t-test 

 
 

Tabel 57 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de natuurlijkheid van de 
houtachtige en kruidachtige vegetatie (voor de volledige doelpopulatie en per bostypegroep). 

Hypothese Techniek 

Is het aandeel van de bosoppervlakte gedomineerd door geïntroduceerde 
boomsoorten gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 

p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

Is de kans op aanwezigheid en het grondvlakaandeel van inheem-
se/uitheemse/invasieve boomsoorten gelijk of verschillend t.o.v. de eerste 
VBI? Kans: H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

. Grondvlakaandeel: H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 

x

1

 

Kans: vergelijking twee 
binomiale verdelingen 
Grondvlakaandeel: 
tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde abundantie aan verjonging van inheem-
se/uitheemse/invasieve boomsoorten (wanneer NV van deze voorkomt) gelijk 
of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: ab

2

 = ab

1

; H

a

: ab

2

 

 ab

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde abundantie van uitheemse plantensoorten in de vegetatie-
laag gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: ab

2

 = ab

1

; H

a

: ab

2

 

 ab

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

                                               

61

 Een boomsoort beschouwen we als aanwezig wanneer deze meer dan 5 % inneemt van het bestandsgrondvlak. We be-

schouwen enkel het aantal boomsoorten aanwezig in het proefvlak en doen dus geen opschaling (naar n boomsoorten per 
ha) omdat het aantal aanwezige boomsoorten niet lineair toeneemt met de oppervlakte. 

62

 Merk op dat een simulatie zal nodig zijn om het significantieniveau te bepalen. 

background image

 

www.inbo.be  

Ontwerp en handleiding voor de tweede regionale bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest 

109 

 

Tabel 58 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de structuurrijkdom

63

 

van de bestanden (voor de volledige doelpopulatie en per bostypegroep). 

Hypothese Techniek 

Is de gemiddelde Positioning Index van Clark and Evan gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde Mixture Index van Von Gadow gelijk of verschillend t.o.v. 
de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test

64

 

Is de gemiddelde Height Differentitation Index van Von Gadow gelijk of ver-
schillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is het aandeel van de verschillende bestandsleeftijdsklassen (+ ongelijkjarig) 
gelijk of verschillend t.o.v. de eerste VBI? 

Pearson’s 

χ

²-test 

Is de kans op gelijktijdige aanwezigheid van de drie vegetatielagen gelijk of 
verschillend t.o.v. de eerste VBI? ? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

Is het aandeel ongelijkjarige bestanden gelijk of verschillend t.o.v. de eerste 
VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

 
 

Tabel 59 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van structurele elementen 
die biodiversiteit bevorderen (voor de volledige doelpopulatie en per bostypegroep). 

Hypothese Techniek 

Is de kans op aanwezigheid van een dood-hout-element gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

Is het gemiddelde volume dood hout (staand en liggend) gelijk of verschil-
lend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is het gemiddelde aandeel dood hout (staand en liggend) gelijk aan of ver-
schillend van 4 % van het totale bestandsvolume? H

0

: x = 4%

1

; H

a

: x 

 4% 

Tweezijdige t-test t.o.v. 
doelstelling 

Is de kans op aanwezigheid van een dikke staande levende boom gelijk of 
verschillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

Is de kans op aanwezigheid van een dikke staande dode boom gelijk of ver-
schillend t.o.v. de eerste VBI? H

0

: p

2

 = p

1

; H

a

: p

2

 

 p

1

 

Vergelijking twee bino-
miale verdelingen 

 
 

Tabel 60 

Hypothesen en statistische analysetechnieken betreffende de toestand en evolutie van de (sub)scores van de 
Authenticiteitsindex (voor de volledige doelpopulatie en per bostypegroep) 

Hypothese Techniek 

Is de gemiddelde globale Authenticiteitsindex gelijk of verschillend t.o.v. de 
eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde score voor de pijler houtstructuur gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde score voor de pijler houtige vegetatie gelijk of verschillend 
t.o.v. de eerste VBI? H

0

: x

2

 = x

1

; H

a

: x

2

 

 x

1

 

Tweezijdig gepaarde t-
test 

Is de gemiddelde score voor de pijler kruidlaag gelijk of verschillend t.o.v. de 
eerste VBI? H

0

: x

2